20-12-2001 - Spiering, Hendrik
De cultfilm 2001: A Space Odyssey verenigde in zich vele trends uit het denken van de jaren zestig: van de killer ape tot maniakale computers.
Vraag: hoe is de mens ooit mens geworden?
Antwoord: door agressie.
Vraag: hoe kan hij ooit echt beschaafd worden?
Antwoord: door een totale wedergeboorte.
De boodschap van Stanley Kubricks film 2001: A Space Odyssey (1968) is in feite in deze paar woorden te vangen. En nog afgezien van de grote filmische kwaliteiten (traag en toch spannend, met amper gesproken woord) is het ook 33 jaar later glashelder waarom de film zo snel kon uitgroeien tot een ware cultfilm. Want deze sciencefictionfilm bevat een aantal belangrijke ideeën uit cultuur en wetenschap van de jaren zestig en zeventig: agressie als wezenskenmerk van de mens, de grote belofte van kunstmatige intelligentie en vooral de totale geestelijke wedergeboorte als enige uitweg uit de condition humaine. De killer ape, de explosie van huishoudelijke apparatuur en de opkomst van oosterse religies, alles komt in deze film samen: van de juichende aap die zijn eerste moord heeft gepleegd, via de maniakale computer HAL tot aan de haast sjamanistische transformatie van de astronaut David Bowman aan het slot.
Met zijn centrale boodschap van wedergeboorte als uitweg kon de film natuurlijk alleen overleven doordat slechts de transfiguratie zelf wordt getoond, niet het feitelijke resultaat van die verandering. De film eindigt ermee dat een als sterrenkind herboren astronaut langzaam terugzweeft naar de aarde die eenzaam blauw hangt in het zwarte heelal. Een nieuw begin. Maar van wat? De agressie voorbij, dat lijkt logisch, maar verder mag de kijker peinzend de bioscoop verlaten. Kubrick noemde zijn film niet voor niets ooit `een fabel, een mythologische documentaire': ,,Ik heb de film bedoeld als een intens subjectieve ervaring die de kijker raakt op een diep niveau van zijn bewustzijn.''
De film begint vier miljoen jaar eerder met een zwarte rechthoekige monoliet die direct ingrijpt in de geest van een stel nogal sukkelige mensapen in een armetierig landschap. Uitsluitend dankzij de buitenaardse manipulatie ontdekken onze voorouders dat je oude botten kunt gebruiken om mee te slaan. Dat is handig! Al snel wordt de eerste tapir geslacht en worden de leider van een naburige apengroep de hersens ingeslagen. De stap naar de toekomst maakt Kubrick met een van de beroemdste scène-overgangen uit de filmgeschiedenis: een triomfantelijk omhooggeworpen bot verandert plotseling maar volkomen natuurlijk in een ruimteschip.
In het jaar 2000 blijkt op de maan precies zo'n plaatvormige monoliet te zijn gevonden, verborgen onder het maanzand, vier miljoen jaar oud. Als de eerste zonnestralen hem raken, zendt hij een kort signaal in de richting van de planeet Jupiter. Daarna blijft de ongenaakbare monoliet volkomen passief. Onder strikte geheimhouding van het werkelijke doel (de bevolking zou de culture shock van een buitenaardse beschaving niet kunnen verwerken) wordt een ruimteschip naar Jupiter gezonden om te onderzoeken waarheen dat signaal gezonden werd. Na adembenemende avonturen met de muitende supercomputer HAL (die naam zou staan voor IBM, maar dan één letter verschoven) bereikt slechts één astronaut Jupiter, waaromheen een gigantische zwarte plaat blijkt rond te cirkelen. Deze plaat slokt de astronaut op en zendt hem in een duizelingwekkende reis door het heelal. Kenners van Star Trek denken nu direct: `ha, een worm hole!', maar in 1968 was zelfs in de fysica de mogelijkheid van zo'n bovendimensionele heelaltunnel niet vanzelfsprekend.
De door elkaar geschudde astronaut komt vervolgens in een luxe hotelinterieur eerst zichzelf als oudere man tegen en kijkt daarna als die oudere man naar zijn eigen sterfbed. Dan verschijnt wederom een monoliet, die het dode lichaam verandert in dat van een kind. En dat keert door de sterrenpoort weer terug naar de aarde. Einde.
De zoetgevooisde supercomputer HAL is verreweg de bekendste figuur uit de film gebleven, maar interessant genoeg is die vrijwel menselijke computer ook het meest gedateerde thema. De grote droom van de kunstmatige intelligentie (KI) is in de afgelopen decennia geleidelijk aan volledig ingestort. ,,Wat er nog het dichtste bijkomt tegenwoordig is die pratende paperclip uit Microsoft Word'', zo meldt desgevraagd Gert-Jan Lokhorst, KI-
watcher aan de Erasmus Universiteit, ,,en de meeste mensen zetten hem uit, want hij geeft zelden het advies dat je nodig hebt.'' Verder wordt kunstmatige intelligentie toegepast in de flessenherkenner bij Albert Heijn, ,,erg hoogdravend is het allemaal niet.'' Het meeste onderzoek is tegenwoordig theoretisch of beperkt zich tot het `nabouwen' van eenvoudige insectachtige `beestjes'.
Maar ook het idee van de killer ape als oorsprong van de mens is allang weer verlaten. Het idee werd in de jaren vijftig populair, vooral dankzij het werk van Raymond Dart, de ontdekker van de Australopithicus africanus. De overstap naar vleeseten en jacht zou onze voorouders op het spoor van de menswording hebben gezet. Maar het bewijs voor die centrale rol van de jacht is nooit stevig geweest en inmiddels wordt het archetype van Man the Hunter vooral nog aangehangen in hobbyjagerskringen. Want vruchten verzamelen was ook érg belangrijk, en evengoed zou de vroege mens een aaseter kunnen zijn geweest. En de ontwikkeling van een zorgzaam gezinsleven was waarschijnlijk belangrijker voor de stap naar Homo sapiens sapiens.
En zo is er wel meer op af te dingen. Een jaar na de premiere van 2001: A Space Odyssey liep de eerste mens op de maan. Maar daar is het in de bemande ruimtevaart ook wel bij gebleven. Het is een politiek wonder dat het huidige International Space Station überhaupt tot stand is gekomen en bemande reizen naar Mars zijn uitgesteld tot de verre toekomst.
Wat blijft is de boodschap dat de mens zich moet verbeteren, wil hij overleven in dit koude heelal. Maar hoe?
Copyright NRC Handelsblad BV
20-12-2001 - Graveland, Mariska
2001: A Space Odyssey (Stanley Kubrick, 1968, Engeland, 148'). Nog altijd hypnotiserende sf-film waarbij de psychedelische finale via een monoliet verbonden wordt met de Dageraad der Mensheid. Niet door iedereen begrepen. ,,Lacks dramatic appeal'', oordeelde een criticus van Variety toentertijd. Met Douglas Rain als de stem van de megalomane computer HAL.
Annie Hall (Woody Allen, 1977, VS, 94'). Woody Allen in optima forma. Scenaristen Allen en Marshall Brickman baseerden zich op de stuk gelopen relatie tussen Allen (,,I have a very pessimistic view of life'') en Diane Keaton, die de hoofdrollen spelen in met bittere humor doorspekte versie van Bergmans Scènes uit een huwelijk. Vier Oscars. Ook met Shelley Duvall, Christopher Walken.
Apocalypse Now Redux (Francis Ford Coppola, VS, 1979/2001, 195'). Digitaal opgepoetste hermontage over afdaling in de hel won 49 extra minuten, met nieuwe scènes waarin de schimmen van Franse kolonialen hun visie op de oorlog geven, een surfplank wordt gestolen, de Playboy bunny's meer speeltijd krijgen, en Marlon Brando voorleest uit Time Magazine. Anti-oorlogsboodschap blijft recht overeind staan.
Blue Velvet (David Lynch, 1986, VS, 120'). De ijzersterke openingsscène spreekt boekdelen: eerst vangen we een glimp op van lachende gezinnetjes en versgemaaid gras, daarna zoomt de camera in op de aarde waar het vieze krioelende insecten aantreft. Met Hopper als het pure kwaad, Rossellini als de vermoorde onschuld en MacLachlan als voyeur in een schemerwereld.
Blood Simple (Director's Cut) (Joel Coen, 1984/2000, VS, 92'). In iets afgeslankte vorm opnieuw uitgebrachte film noir met ijzingwekkende finale. Briljant debuut over een passie-
moord sart de kijker door zich nooit helemaal prijs te geven. Met virtuoos camerawerk van latere regisseur Barry Sonnenfeld en duistere rollen van Frances McDormand en M. Emmet Walsh.
Charlotte (Frans Weisz, 1981, Nederland/West-Duitsland, 97'). Oogverblindend portret van de joodse schilderes Charlotte Salomon (1917-1943), wier autobiografische gouaches de basis vormden voor een van de beste films uit de vaderlandse geschiedenis. Het complexe scenario, met veel sprongen in tijd en plaats, is van de hand van Judith Herzberg. Met Birgit Doll, Derek Jacobi.
Chungking Express/Chongqing Senlin (Wong Kar-wai, 1994, Hongkong, 97'). Ananasblikjes, California Dreamin' en een nepblondine figureren in bedwelmend dubbelportret van twee eenzame politieagenten in Kowloon, die, zoals in alle films van Wong, snakken naar liefde. De nerveuze stadssfeer is in glanzende beelden gevangen door cameraman Christopher Doyle. Met de immer charmante Tony Leung.
Do the Right Thing (Spike Lee, 1989, VS, 120'). Stichtelijk, soms wat toneelmatig maar ook urgent pamflet tegen racisme volgt een snikhete dag in Bedford Stuyvesant, Brooklyn. Rond het pizzarestaurant van chauvinist Danny Aiello ontstaan rellen waaraan alle betrokkenen schuld hebben. Eindigt met twee citaten van Martin Luther King en Malcolm X die elkaar tegenspreken. Ook met Spike Lee, John Turturro, Samuel L. Jackson.
A Fistful of Dollars/Per un pugno di dollari (Sergio Leone, 1964, Italië/Spanje/West-Duitsland, 94'). Onder de naam Bob Robertson maakte Leone zijn eerste schoolmakende spaghettiwestern, waarmee niet alleen hij maar ook tv-acteur Clint Eastwood doorbrak als de laconieke Man With No Name. Remake van Kurosawa's Yojimbo wisselt extreme close-ups af met desolate vlaktes en oneliners van staal (,,Her name is Marisol - but you'd best forgot her''). Een jaar later gevolgd door For a Few Dollars More.
La historia oficial (Luis Puenzo, 1985, Argentinië, 115'). Een van de eerste Argentijnse films over de vuile oorlog concentreert zich op de nabestaanden van de desaparecidos. ,,Geschiedenis wordt gemaakt door moordenaars'', zegt een van de leerlingen van een geschiedenisonderwijzeres te Buenos Aires, die erachter komt dat haar geadopteerde kind de dochter is van een van de vele vermisten.
Jour de fête (Jacques Tati, 1949/1995, Frankrijk, 70'). Regiedebuut met perfect getimede grappen vestigde Tati's faam als erfgenaam van Buster Keaton. Het Filmmuseum vertoont de in 1995 door Tati's dochter in de oorspronkelijk bedoelde kleuren van Thomsoncolor, echter niet naar ieders tevredenheid gereconstrueerde versie. Met Tati zelf als dorpspostbode die, onder de indruk van een promotiefilm van de Amerikaanse posterijen, zijn diensten wil moderniseren.
Kagemusha (Akira Kurosawa, 1980, Japan, 117'). Groots opgezet, licht-surrealistisch wapengekletter wordt afgewisseld met sobere interieurscènes in humaan epos dat financieel werd ondersteund door Francis Ford Coppola en George Lucas. In de zestiende eeuw wordt de plaats van een machtsbeluste Japans krijgsheer ingenomen door een kagemusha, een schaduwkrijger. Vol technische hoogstandjes.
The Killer/Diexue shuang xiong (John Woo, 1989, Hongkong, 110'). De waardering voor hoogvlieger Woo kende toppen en dalen: na jarenlang alleen in eigen land te hebben gescoord met gangster-, kungfu-films en komedies brak hij via een gestaag groeiende groep cultliefhebbers door in het Westen, waarna hij vanwege zijn Jean-Claude Van Damme-vehikels weer uit de gratie viel. In The Killer wordt het uit zijn voegen barstende melodrama slechts overtroffen door de geweldsexplosies.
Killer's Kiss (Stanley Kubrick, 1955, VS, 67', zwart-wit). Net als bij zijn debuut Fear and Desire leende Kubrick geld van familie en vrienden om deze tweede, toentertijd nagenoeg onopgemerkte film te maken, waarvoor hij als scenarist, cameraman, editor en regisseur optrad. Kubrick gaf nieuwe draai aan bekende film noir-stijlmiddelen (duister New York, protserige vrouwen) door zich vooral op onmogelijke liefde tussen bokser en danseres te richten.
Kom en zie/Idi i smotri (Elem Klimov, 1985, Sovjet-Unie, 146'). In Wit-Rusland anno 1943 gesitueerde, monumentale anti-oorlogsfilm volgt een tiener die in een wrak verandert nadat hij zich heeft aangesloten bij de partizanen en in een dorp belandt waar de SS gruwelijk heeft huisgehouden. Het landschap is als contrast in zachte warme kleuren gefilmd.
Last Tango in Paris/Ultimo tango a Parigi (Bernardo Bertolucci, 1972, Italië/Frankrijk, 125'). Destijds door Italiaanse rechters als obsceen en aanstootgevend veroordeelde sekstragedie heeft de tand des tijds niet altijd doorstaan. Getormenteerde weduwnaar Marlon Brando improviseerde lappen tekst, terwijl de dartele Maria Schneider in verzet komt tegen de puur seksuele relatie die beiden op de been moet houden. Met Jean-Pierre Léaud als mislukte Godard.
Lenny (Bob Fosse, 1974, VS, 112', zwart-wit). Imponerende biografie van de volgens velen geniale stand-up comedian Lenny Bruce, vertolkt door Dustin Hoffman, die in de jaren vijftig met zijn one-manshow menig taboe doorbrak, maar tragisch ten onder ging. Fosse's sobere regie staat in groot contrast met zijn films Cabaret, Sweet Charity en All That Jazz.
Van maart tot mei toert overigens een voorstelling over het leven van Lenny Bruce door het Noord Nederlands Toneel (Koos Terpstra en Raoel Heertje) door het land, zie www.nnt.nl.
Persona (Ingmar Bergman, 1966, Zweden, 81', zwart-wit). Bergman roept in zijn 27ste film wederom grote levensvragen op: kunnen we werkelijk onszelf zijn of doen we altijd maar alsof? Een minimale cinematografie en zoals gebruikelijk veel symboliek tonen de ambivalente gemoedstoestand van verwarde verpleegster Bibi Andersson en zwijgende actrice Liv Ullman, die tot elkaar veroordeeld zijn.
Pierrot le fou (Jean-Luc Godard, 1966, Frankrijk/Italië, 112'). Jean-Paul Belmondo excelleert als verveelde schrijver die zijn vrouw verlaat, met moord en emotionele kaalslag als gevolg. Stilistische trukendoos gelardeerd met literaire citaten wordt ook wel gezien als Godards persoonlijke afrekening met mislukt huwelijk met hoofdrolspeler Anna Karina.
Rear Window (Alfred Hitchcock, 1954, VS, 112'). Lucide en barmhartig moordmysterie buit alle cinematografische mogelijkheden uit en is bijna geheel gefilmd vanuit één perspectief: het appartement van een glurende fotograaf met gebroken been (James Stewart). Met Grace Kelly als trouwlustige, goedgekapte dame die wil bewijzen dat ze niet zo tuttig is als ze eruit ziet.
Roma (Federico Fellini, 1972, Italië/Frankrijk, 128'). Hoofdrol voor de ondoorgrondelijke stad waar Fellini een haat-liefde verhouding mee had: Rome. Fellini, in de film gespeeld door Peter Gonzales, trekt alles uit de kast voor zijn overrompelende satirische impressies van het chaotische stadsleven. Anna Magnani neemt aan het eind afscheid van Fellini door hem tot slapen te manen. Kort na de opnames zou ze overlijden.
Salò o le 120 giornate di Sodoma (Pier Paolo Pasolini, 1975, Italië/Frankrijk, 117'). Toentertijd door moraalridders verguisde hartekreet beleefde zijn Italiaanse première pas na de gewelddadige dood van de regisseur in 1975. In dit schandaalsucces naar de roman van De Sade probeert Pasolini tot de kern van geweld door te dringen middels een aantal klinische seks- en martelscènes, waarmee hij af wilde rekenen met het fascisme.
Some Like it Hot (Billy Wilder, 1959, VS, 120', zwart-wit). De beste komedie ooit, met de immer sprankelende Jack Lemmon en Tony Curtis als kwajongens in vrouwenkleding (,,I lost one of my chests!'') die de gin-verslaafde ukelelespeler Sugar Kane (Marilyn Monroe: `I wanna be loved by you') het hof willen maken. Premisse is zo oud als de weg naar Kralingen, maar Wilders verkwikkende dialogen maken alles goed. Op 28 december schrijft K. Schippers over deze film in het Cultureel Supplement van deze krant.
This is Spinal Tap (Rob Reiner, 1984, VS, 82'). Montere parodie op de rockumentary, met Reiner zelf als een Scorsese-achtige regisseur die hijgend achter de holle frasen debiterende rocksterren aanholt. In een direct cinema-stijl volgt hij hun rampzalige verlopen tournee, terwijl zij teksten uitkramen als ,,My baby fits me like a flesh tuxedo, I wanna sink her with my pink torpedo.''
Tirez sur le pianiste (François Truffaut, 1960, Frankrijk, 85'). Meanderend tussen ironische gangsterfilm en melancholiek liefdessprookje zou deze Nouvelle Vague-film tot een van de bekendste van de stroming uitgroeien. Timide concertpianist Charles Aznavour slijt, nadat hij door zijn vrouw is bedrogen, zijn dagen als barpianist totdat hij een stel gangsters op bezoek krijgt. Naar de misdaadroman van David Goodis.
Trois couleurs: rouge (Krzysztof Kieslowski, 1993, Frankrijk/Polen/ Zwitserland, 99'). Volgens de één een meesterlijk traktaat over liefde en toeval, volgens de ander een verzameling banale bedenksels, vermomd als grote mysteriën. Slot van drieluik, na Blue en Blanc, genoemd naar de Franse vlag. Met Irène Jacob en Jean-Louis Trintignant.
Wuthering Heights (William Wyler, 1939, VS, 103', zwart-wit). Vooral de priemende, wanhopige blik van Laurence Olivier als de verliefde Heathcliff stuwt deze verfilming van zwart-romantische roman van Emily Brontë naar grote hoogten. Dragende bijrol voor het landgoed en de Yorkshire Moors, die door Wyler (Ben-Hur) in sinister zwart-wit zijn gevangen.
Copyright NRC Handelsblad BV
23-8-2001 - Blokker, Bas
Ergens in 1969 krijgt Stanley Kubrick een briefje van een meneer Smith uit Louisiana. Die schrijft: ,,Ik heb zojuist uw 2001: A Space Odyssey bekeken. Mijn vrouw en ik hebben vijftig mijl gereden om hem te zien. Toen we terugreden, probeerden we zo kalm mogelijk te bepraten wat we zojuist hadden gezien, maar ons gesprek verkeerde telkens in geschreeuw. Misschien als we nóg vijftig mijl verder van de bioscoop hadden gewoond, waren we tot iets als een conclusie gekomen tegen de tijd dat we thuis waren een soort slotsom waar we allebei mee konden leven. Het kaartje heeft me vijf dollar gekost. Ik vind eigenlijk dat ik voor die vijf dollar wel recht heb op enkele antwoorden.''
Het briefje wordt geciteerd in het boek Top 100 Movies (1988), een compilatie van lijstjes van critici, verzameld door de Canadese filmjournalist John Kobal. Kobal merkt op dat meneer Smith nooit antwoord op deze vraag heeft gekregen ,,net zo min als iemand anders trouwens''. Kennelijk maakt dat weinig uit: 2001: A Space Odyssey staat op plaats 18 in die top 100, even voor Eisensteins Ivan de Verschrikkelijke, vlak achter Renoirs La grande illusion.
Je zou er graag het definitieve bewijs in zien dat puzzelen zinloos is als het om kunst gaat. Want, grote God, wat is er veel en zinloos gepuzzeld over de betekenis van deze film. Ongetwijfeld tot groot genoegen van de maker zelf over wie in dit verband altijd eventjes betekenisvol hoort te worden opgemerkt dat hij een begaafd wiskundige en schaker was. Dat u weet dat het niet aan hém ligt.
In 2001: A Space Odyssey (1968) behandelt Stanley Kubrick verleden en toekomst van de mensheid. Hij begint brutaalweg vier miljoen jaar geleden bij de `dageraad van de mens', stapt na zestien minuten zwijgende scènes van mensapen met één fenomenale Schnitt over naar de ruimtevaart aan het eind van de twintigse eeuw en verder.
Hier moet de verleiding worden weerstaan om uit te leggen wat er in de film gebeurt. Er moet alleen feitelijk worden gezegd dat de ene groep aapmensen een geheimzinnige monoliet aanraakt en vervolgens het gebruik van instrumenten leert en die kennis onmiddellijk aanwendt voor moord en doodslag onder een concurrerende groep. En dat direct daarna de regisseur overgaat van het oerinstrument, het bot, naar het instrument van de toekomst, het ruimteschip.
Hier moet vooral de verleiding worden weerstaan om die monoliet te duiden als een evolutionair scharnier, die de mens bewuste kennis geeft, die de mens op zijn beurt onmiddellijk aanwendt voor dood en vernieling en die zich ten slotte tegen de mens keert in de vorm van de onfeilbare computer HAL 900, waarna de mens, dood en herboren, vrij de kosmos in zweeft.
Niet over hebben.
Want 2001: A space Odyssey is enkel en alleen op te vatten als meesterwerk in de filmtechnische zin van het woord. Wat Kubrick laat zien is veel interessanter dan wat hij ermee vertellen wil. Kubrick bewijst zichzelf hier als een echte filmpionier, zoals bijvoorbeeld de Rus Eisenstein dat was, over wie hij ooit snerend opmerkte dat die ,,louter vorm en geen inhoud'' schiep.
Voor Kubrick geldt hier vrijwel hetzelfde. Hij laat zien wat-ie kan, en dat is veel. Hij nam zelf tijdens de opnamen regelmatig de camera ter hand om onmogelijke shots uit te proberen een ruimtestewardess die voor onze ogen kalm tegen het plafond oploopt en ondersteboven uit beeld verdwijnt, of een astronaut die in een cilindrische ruimte rondjes jogt als in een tredmolen, alsof het hele ruimteschip voortrolt op de kracht van zíjn passen.
Erg knap, maar meer voor de filmencyclopedie: Kubrick, pionier. En zoals dat gaat met pioniers: juist hun meesterlijkste bedenksels krijgen navolging, maar dan aangelengd tot het trucjes zijn geworden. De Strauss-wals ter begeleiding van ruimteschepen, de gedurfde montagesprong van bot naar raket.
En vooral de zogenoemde sterrenpoort, een negen minuten durende sequentie van zinderende lichteffecten en het dramatisch dichtbij gefilmde oog van de astronaut die ze, voorbij Jupiter, ondergaat. Négen minuten duurt de overgang hier van ons soort leven naar een andere soort. De effecten zijn tot in de meest recente films (The Abyss, Contact) dankbaar overgenomen, maar dan natuurlijk geen negen minuten lang.
Het tempo van de film is misschien wel wat 2001 nog het dichtst bij een meesterwerk brengt. De sensuele traagheid waarmee een pendelraket aarzelt voor hij het moederschip penetreert. En de kleine terzijdes van het (vanuit 1968 geredeneerde) toekomstige leven: de lange gebruiksaanwijzing bij een gewichtloos toilet of de hypermoderne tv aan boord, waarop passagiers naar worstelpartijen kijken.
Hier moeten we vooral in het hoofd houden dat Kubricks film in 1968 is gemaakt, het jaar voordat de mens voet op de maan zette. Toen was het heelal nog een mysterieuze belofte, in plaats van de hangplek voor verveelde miljonairs van nu.
Copyright NRC Handelsblad BV