26-2-2010 - Ewoud Kieft
Samen in dit ene moment
Oscar van den Boogaard houdt in zijn tiende, virtuoze roman de teugels strak
In zijn dertiende roman houdt Oscar van den Boogaard, schrijver van het grote gebaar, de zaken opeens strak in de hand.
Oscar van den Boogaard staat bekend als de schrijver van het grote gebaar, het ‘oceanisch verlangen’, zoals hij het zelf wel heeft verwoord. Die term riekt naar pretentieuze pathetiek, en dat is hem ook vaak verweten door de literaire kritiek. Van den Boogaard leek een verdwaalde romanticus in het land van de kleine gebaren, waar je toch op z’n minst geacht werd om voor ironisch tegenwicht te zorgen, als je al hemelbestormend proza wilde schrijven.
In zijn tiende roman, Meer dan een minnaar, staat Van den Boogaard echter wel degelijk met op z’n minst één been op de grond, hoewel de verteller van het verhaal begint met een allesbehalve aards perspectief: zoals een astronaut naar de aarde kijkt, wil hij naar zijn eigen familiegeschiedenis kijken. ‘Van buiten de dampkring gezien geen glimp van ongelukkige vaders, moeders en kinderen’, constateert hij tevreden. Het resultaat is een panoramische blik in de hoofden van de leden van twee gezinnen die naast elkaar wonen in een sjiek Vlaams dorp, de wat volkse familie Poppe en de elitaire familie Bouvy.
Maar schijn bedriegt. De twee families blijken veel meer met elkaar te maken te hebben dan je zou zeggen en op die intrige bouwt Meer dan een minnaar voort. De plot is echter niet zozeer wat deze roman de moeite waard maakt. Het is de stilistische virtuositeit waarmee Van den Boogaard schijnbaar moeiteloos schakeert tussen zijn personages, hoe hij afstanden in tijd en ruimte overbrugt zonder dat het gekunsteld overkomt.
In elk hoofdstuk volgen we de gebeurtenissen vanuit het perspectief van één van de hoofdpersonages, fijntjes vermengd met het ‘astronautenperspectief’ door zinnen als ‘Elsie zag zichzelf altijd als oude vrouw alleen, met honderd katten. Weet ieder mens meer van zijn toekomst dan hij zou willen toegeven?’ Dit soort gedachten, die mijmeren over de toekomst of het verleden herbeleven, wekken het gevoel van weidsheid op, terwijl het verhaal toch vanuit een persoonlijke visie wordt verteld. Het helpt daarbij dat alle hoofdpersonen gevoelig zijn voor mystiek, een allesomvattende greep op de wereld willen hebben, waardoor zij zelf dus al een panoramische blik op de werkelijkheid hebben. Zo gelooft de seksuoloog Rudolf Bouvy dat tijd niet bestaat, ‘dat we allemaal samen waren in dit ene moment.’ Zijn vrouw Elsie is dan wel een stuk rationeler, maar eigenlijk wil zij zich van haar knagende verstand bevrijden, om weer in contact te komen met haar gevoel.
Dat laatste streven typeert eigenlijk alle karakters in Meer dan een minnaar. Ook de buren van de Bouvy’s zoeken naar geestelijke bevrijding. Moeder Regina leest de zestiende-eeuwse mystica Teresia van Avila: ‘Ons zicht is niet vrij. Naargelang we vooruitgaan wordt het verblind door het stof van de weg.’ En puberzoon August cultiveert zijn extatische verlangens door ritueel een engeltje in de muur van de tuin te betasten. Op onverklaarbare wijze voelt hij pijn in zijn genitaliën als zijn moeder lijdt onder het geforceerde liefdesspel met zijn vader Noël. Op eenzame avonden leunt August achterover in het gras en fantaseert over een ‘psychische klik’ die de zwaartekracht zal omkeren zodat hij in de hemel zal vallen. En als er een ramp met een passagierschip plaatsvindt, bedenkt hij opgetogen: ‘Het was alsof de wekker afliep en de hele wereld wakker moest worden.’ Zelfs de zwijgzame en nuchtere vader van het gezin, de tuinman Noël, blijkt vatbaar voor bijgeloof. ‘Niemand zou ooit weten wat hij wenste, want dat vertellen zou ongeluk brengen.’
Al deze zweverigheid wordt pas aan het eind van de roman irritant, als verschillende leden van de twee families bij elkaar bevrijding vinden en al te schmierend genieten van hun pasgevonden geluk. Maar voor het grootste gedeelte is Meer dan een minnaar eigenlijk opmerkelijk goed in balans. Van den Boogaards uitgekiende stijl en compositie, de rake metaforen, het ritme van de zinnen komen prachtig samen met zijn personages. Terwijl hij in vroegere romans nog wel eens de neiging had om karaktertekening ondergeschikt te maken aan grootse emoties, geeft hij in Meer dan een minnaar een helder beeld van de hoofdpersonen. Dat gebeurt door een soort rondedans in het vertelperspectief: het ene personage bekijkt de ander, die kijkt weer naar de volgende totdat de cirkel opnieuw rondgaat. De manier waarop je naar je dierbaren kijkt, zegt net zoveel over jezelf als over de ander natuurlijk, en zo werkt deze vertelstijl twee kanten op.
Zo beseft Noël Poppe dat zijn vrouw Regina vindt dat hij zich te veel vastklampt aan zijn verleden. ‘Regina zei wel eens dat hij niet zo vaak naar het graf moest gaan, dat hij zijn vader en broer moest loslaten, maar hij zag daar het nut niet van in. Waarom moest hij dat doen als hij ze ook kon vasthouden? Waarom moest hij ze vergeten als hij ze ook kon onthouden?’
Ondanks alle esoterische gedachten leunt het verhaal vooral op de wisselwerking tussen de verschillende karakters. Dáár zit de onderhuidse spanning in de roman, die weliswaar te maken heeft met de grote verlangens van de hoofdpersonen, maar nog veel meer met simpele prachtzinnen als deze: ‘De ogen van haar zoon kijken haar aan als een nachtdiertje, maar hij verroert zich niet.’
Copyright NRC Handelsblad BV