Volg ons op

Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Stad op een berg
 

Stad op een berg

James Kennedy
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 12,50
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
protestantisme, calvinisme
ISBN/EAN 9789023921356
Dikte (in mm): 22
Breedte (in mm): 136
Hoogte (in mm): 216
Gewicht in (in gram): 265
Taal: Nederlands
Bindwijze: Paperback
Aantal pagina's: 148
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20090901
Genre: Kerk- en dogmengeschiedenis
Auteur: James Kennedy
Print dit artikel
15-1-2010 - Herman Amelink
De kerk moet weer smoel krijgen
James Kennedy geeft een recept voor de rehabilitatie van de kerk. Maar hoe reëel is dat?

De kerk ontwikkelde zich na WOII van staatskerk via wereldkerk naar straatkerk. Hoe het nu verder moet beschrijft James Kennedy in Stad op een berg.

Een Zweedse bisschop vergeleek kerken met postkantoren. Nuttig zijn ze nog wel, maar in een moderne samenleving is er steeds minder behoefte aan. Een treffender metafoor voor de huidige positie van de kerken in het publieke leven laat zich nauwelijks denken. Kerken worden in even hoog tempo gesloten als postkantoren. Hun prominente rol is verleden tijd. Kerken zijn geen gezaghebbende instituties meer, maar vergaderingen van gelovigen, slechts een van de onderdelen van de zogeheten civic society. Kerk en godsdienst behoren tot de privézaken.
Nadrukkelijker dan ooit wordt om ‘scheiding van kerk en staat’ geroepen als religie zich plotseling weer in het publieke domein manifesteert. Dat gebeurde in Amsterdam en Haarlem bij het debat over financiële steun aan het Scharlaken Koord, een christelijke hulporganisatie die prostituees helpt die uit hun vak willen stappen. Maar het gebeurde ook in Rhenen, midden in de Bible Belt, waar de lokale afdeling van de Reformatorische Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) geen subsidie meer kreeg, omdat deze organisatie euthanasie om principiële redenen afwijst.
James Kennedy, hoogleraar Nederlandse Geschiedenis sinds de Middeleeuwen aan de Universiteit van Amsterdam, bespeurt tegelijk ook een tegenbeweging. Overheid en samenleving lijken de laatste tijd juist weer meer dan vroeger iets van de kerken te verwachten. Ze worden geacht de maatschappelijke cohesie te bevorderen, door de normen en waarden die ze representeren en de solidariteit die ze prediken, maar ook door de praktische hulp die ze bieden in de vorm van buurtactiviteiten, maaltijden, etc. De kerk is nog altijd de grootste vrijwilligersorganisatie. Ook organisatorisch rekent de Staat weer op de kerk, nadrukkelijk bijvoorbeeld via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), die drie jaar geleden van kracht werd.
In zijn boek Stad op een berg, de publieke rol van protestantse kerken bespreekt Kennedy hoe het allemaal zo gekomen is. In een aantal hoofdstukken tekent hij eerst de verandering van de positie van de protestantse kerken. De rooms-katholieke laat hij vrijwel buiten beschouwing, omdat deze voor haar spreken centraal aangestuurd wordt vanuit Rome, waar de paus zich nog altijd beschouwt als plaatsvervanger van Christus op aarde. Dergelijke gezagsaanspraken zijn de protestantse kerken altijd vreemd geweest. Wel meende een belangrijk deel van de Nederlandse Hervormde Kerk een morele rol tegenover de overheid te hebben: tal van theologen zagen de kerk als een profeet die de overheid de weg moest wijzen. Andersom genoot de Nederlandse Hervormde Kerk als vaderlandse kerk tot ver in de 20ste eeuw speciale voorrechten. Ze kreeg financiële steun van de Staat voor onderhoud van gebouwen en de salarissen van predikanten, kerkelijke opleidingen werden van staatswege bekostigd en de kerk genoot zelfs portvrijdom.
Na een aanvankelijke opleving is na de Tweede Wereldoorlog het gezag van de kerk in de samenleving echter gaan tanen. Armenzorg verhuisde bijvoorbeeld van de kerk naar de Staat. Daar kwam bij dat gereformeerden, anders dan hervormden van wie ze zich in de 19de eeuw afscheidden, nooit veel ophadden met bemoeienis van de kerk met het openbare leven. Voor die bemoeienis gebruikten de gereformeerden liever christelijke organisaties: de verzuiling.
In grote streken tekent Kennedy vervolgens hoe de kerk, toen haar nationale werkterrein verschraalde, zich vanaf de jaren zestig stortte op haar taak in de wereld met werelddiaconaat, ontwikkelingssamenwerking, acties tegen kernwapens, etcetera. De kerk moest af van haar pretentie dat ze het middelpunt van een christelijke cultuur was. Het was de tijd van de oecumene. Nederland moest gidsland in de wereld worden. Het was de tijd van het IKV, de door pater Jelsma opgezette Novib en de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking ICCO.
Onder invloed van de economische crisis van de jaren tachtig verschoof het accent vervolgens naar locale activiteiten voor onder meer daklozen, vluchtelingen en minima. Het was de tijd van de ‘arme kant van Nederland’. De plaatselijke kerk begon zich steeds nadrukkelijker te profileren, ten koste van de landelijke kerk. Bekend voorbeeld is het werk van de Pauluskerk in Rotterdam van ds. Hans Visser. En zo ontwikkelde de kerk zich in enkele decennia van staatskerk via wereldkerk naar straatkerk.
Kennedy trekt in zijn analyse steeds parallellen met de situaties in andere Europese landen, waar de ontkerkelijking minstens even sterk is, maar waar de publieke positie van de daar nog bestaande volkskerken sterk bleef. Duitse, Engelse en Scandinavische kerken zijn, anders dan de Nederlandse kerken, volwaardige partners in het publieke debat, naar wier mening door de overheid gevraagd wordt. Ook Kennedy’s eigen ervaringen met het kerkelijk leven in de VS klinken voortdurend in zijn betoog mee. Zo weet hij de relatie tussen kerk, Staat en samenleving in Nederland steeds onder verrassende en wisselende belichtingen te plaatsen.
Het meest intrigerende hoofdstuk beschrijft de opstelling van de talrijke kleine protestantse kerken van orthodoxe snit. Vooral het bevindelijke deel daarvan, wel als zwartekousenkerken aangeduid, heeft vanouds grote reserves bij het publieke leven. Ze vrezen de grote boze buitenwereld. Scherp en verhelderend zijn Kennedy’s waarnemingen over het al dan niet luiden van klokken en het wel of niet open laten staan van de deuren als indicatie voor de mate van beslotenheid van de kerkdiensten. Kennedy bespeurt hier restauratieve tendensen waarbij niet de eerste christengemeente het ideaal vormt, maar de kerk zoals die na de Reformatie ontstond.
Veel orthodoxe protestantse kerken bestaan uit netwerken van familieverbanden, die grotendeels op elkaar zijn gericht en weinig tijd en energie besteden aan contacten met mensen van buiten, constateert Kennedy. Het zijn besloten organisaties waarbinnen de gelovigen zich veilig kunnen voelen. De namen van hun kerkgebouwen zijn veelzeggend: Schuilplaats, Schaapskooi. De publieke aspecten van hun geloof laten deze kerken intussen over aan verzuilde instanties: SGP, ChristenUnie, Evangelische Omroep, het Nederlandsch Dagblad, het Reformatorisch Dagblad, reformatorische zorginstellingen en gereformeerde scholen.
Toch duidt Kennedy dit fenomeen niet uitsluitend als negatief. In de orthodox-gereformeerde kerken is in elk geval wel het besef levend gehouden dat je geloven samen moet doen. Juist door hechte gemeenschappen te vormen kunnen deze kerken ook een inspirerend contrapunt vormen tegenover een uit elkaar vallende samenleving.
In zijn laatste hoofdstuk, dat hij als ‘meer normatief’ omschrijft, geeft Kennedy een recept voor een rehabilitatie van de kerk. Hij bepleit een nieuwe publieke rol voor de kerken. Hier krijgt de historicus de trekken van een profeet. ‘Ik zet vraagtekens bij de rol van de kerk als bron van burgerdeugden en maatschappelijk engagement, een rol die in de Verenigde Staten zo lang dominant is geweest en nu ook in Nederland doorbreekt.’ Het is natuurlijk mooi als de kerk maatschappelijke status kan heroveren door zorg voor migranten, inloophuizen, koffieochtenden en voedselbanken. Maar het gevaar bestaat, aldus Kennedy, dat de kerk op die manier krampachtig haar best doet om weer in de smaak te vallen. Ze loopt daarmee het risico aan kleurloosheid ten onder te gaan. Daarom moet de kerk zich veel meer richten op de kwaliteit van haar eigen gemeenteleven, op de kracht van haar identiteit. ‘De kerk is geen instrument voor sociale cohesie, een organisatie die de politieke en sociale orde steunt en in stand houdt, maar een eigen bouwwerk met een eigen missie, die zelfs een „subversieve” rol kan vervullen binnen de oude structuren van de maatschappij.’
Kennedy verwijst, behalve naar tal van binnen- en buitenlandse theologen, naar Wim van de Donk, die als (katholieke) voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zei: ‘Kerken hebben helemaal niets meer te zoeken in het midden van de samenleving omdat het midden lauw en laf is geworden. Vanuit de marge kunnen de kerken veel meer betekenen.’ Ook haalt hij de hervormde Schelto Patijn aan, van 1994-2001 burgemeester van Amsterdam, die de kerken nadrukkelijk opriep de boodschap van het evangelie te brengen ‘ook als tegenwicht voor de krachtige boodschappen van de werelden van management en commercie’.
Kerken moeten een tegencultuur gaan vormen. Daarvoor is interne disciplinering nodig, meent Kennedy, eerder orthopraxie dan orthodoxie. ‘Zo kunnen kerken als contrasterende gemeenschap praktijken ontwikkelen die niet alleen een ander levensritme bieden […] maar misschien ook heilzame effecten hebben op het publieke leven.’
Provocerend zijn de ideeën van Kennedy zeker. Maar hoe realistisch is zo’n contrasterende kerk? Speelt het Amerikaanse maakbaarheidgeloof hem hier geen parten? Zijn de meeste kerkmensen al niet te geïndividualiseerd en te geseculariseerd om deze omslag nog te kunnen maken? Zitten kerkmensen wel te wachten op disciplinering? Velen zijn juist opgelucht dat ze daarvan verlost zijn. En een meer principiële vraag: verwacht Kennedy niet te veel van de goedwillende (christen)mens? Hij geeft toe dat zijn visie geïnspireerd is door elementen uit de doperse traditie, die meende Gods ideale samenleving op deze aarde te kunnen stichten. Maar heeft juist die doperse traditie niet laten zien hoe desastreus tegenculturen kunnen zijn, niet in de laatste plaats voor zichzelf?
En zo ontwikkelde de protestantse kerk zich binnen enkele decennia van staatskerk via wereldkerk naar straatkerk

Copyright NRC Handelsblad BV