Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Kreutzersonate
 

Kreutzersonate

M. de Moor
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 12,50
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
ISBN/EAN 9789025412906
Dikte (in mm): 14
Hoogte (in mm): 200
Breedte (in mm): 125
Gewicht in (in gram): 173
Taal: Nederlands
Auteur: M. de Moor
Bindwijze: Paperback
Aantal pagina's: 141
Genre: Literaire roman, novelle
Uitgever: Contact
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20011016
Print dit artikel
3-5-2002 - Arjen Fortuin

Een dolle boel zou het niet zijn geworden, als niet de auteurs, maar de hoofdpersonen van de zes voor de Librisprijs genomineerde boeken aanstaande woensdagavond zouden aanschuiven bij het diner ter gelegenheid van de prijsuitreiking. Meteen vanaf het aperitief zouden ze snakken naar het einde. Het hoogste woord zou aan tafel zijn gevoerd door David Oosterbaan, de 53-jarige acteur uit Een soort Engeland van Robert Anker, die al zijn charmes zou hebben aangewend om Rosa van Esso te veroveren, de vrouw die in Chaja Polaks Over de grens een zwak toont voor oudere, eenzame mannen. Wellicht had Lucas Saverijn, de rechter uit Voel maar van Jan Brokken, haar kunnen bekoren, maar die zit altijd met zijn gedachten in de tropen.

Tegen het einde van het diner zou waarschijnlijk het serviesgoed met een woedende uithaal van tafel worden geveegd door Marius van Vloten, de blinde muziekcriticus uit Kreutzersonate van Margriet de Moor, overigens zonder dat Rudolf Herter er zich er veel van aan zou trekken; het alter ego van Harry Mulisch uit Siegfried, ziet zijn gedachten wegdrijven richting Hitler, Nietzsche, het niets of alledrie. Eén stoel is dan al uren leeg: na zich in hoog tempo te hebben laten vollopen is de Vlaamse Koreaveteraan Roger de Bruyne (uit Koud van Geertrui Daem) van tafel gevlucht en heeft hij zich in de garderobe verschanst, zich inbeeldend dat hij terug is op het slagveld en zich verheugend op een snelle hereniging met zijn grote liefde, de Japanse prostituée Kioko.

Nee, dit zijn geen gezellige mensen: ze hebben te veel meegemaakt om nog ontspannen aan een dinertafel te zitten. Hun leven wordt maar voor een klein deel bepaald door het hier en nu en tot een mooi tafelgesprek zullen ze zich maar moeizaam kunnen zetten. Het is ook maar de vraag of de zes bijeen te krijgen waren, want vaak zitten ze in het buitenland: in Azië, in Wenen, Bordeaux, Salzburg, Frankrijk, Rome, Berlijn en op een cruiseschip tussen Curaçao en Panama. Alleen Ankers Een soort Engeland speelt zich in weerwil van de titel nauwelijks buiten Amsterdam af. Voor de anderen is de Benelux te klein: hun scheppers zetten hun leven in een stroomversnelling wanneer ze de grens over gaan.

Niet alleen het `elders` heerst over het `hier`, ook het `nu` moet het vaak afleggen tegen het `toen`. Dat kan een overbekend thema als de Tweede Wereldoorlog zijn (Mulisch, Polak), de Korea-oorlog (Daem), een tropenjeugd en de Argentijnse dictatuur (Brokken) of – wat verder doorgeredeneerd – de ontdekking van een volledig vergeten dochter (Anker). Ook De Moors hoofdpersoon wordt dagelijks geconfronteerd met een daad uit zijn verleden.

Alles wat het leven bepaalt, ligt buiten het Nederland van nu, of althans het eind-twintigste-eeuwse Nederland waarin de boeken geschreven zijn. Die kalme en zorgeloze poldersamenleving met veel geld, veel consensus en dus weinig voer voor literatoren lijkt inderdaad geen passende achtergrond waartegen een schrijver zijn obsessies tot kunst kan maken. Misschien zijn de zes uitverkoren titels daarmee ook de laatste boeken van een periode waarin Nederland de literaire verbeelding nauwelijks wist te inspireren. De paarse consensus lijkt immers weggeblazen door de opkomst van het politieke populisme, dat weer niet te begrijpen valt zonder de aanslagen in New York en Washington. Het zijn, kortom, boeken van vóór de grote paniek.

Dat is natuurlijk toeval, tot op zekere hoogte. Want zoals romans niet geschreven worden om tot een fictieve tafelschikking te komen, hoeft de jury van een literaire prijs zich niet in te laten met de tijdgeest. Zij moet de auteur van het beste boek van het afgelopen jaar 50.000 euro toekennen. En soms een stormpje trotseren, zoals vorig jaar toen de keurmeesters vijf boeken van uitgeverij Querido nomineerden en de prijs uiteindelijk aan Tomas Lieske gaven. Dat is de jury van 2002 (die bestaat uit Herman Tjeenk Willink, Douwe Fokkema, Marcel van Nieuwenborgh, Hilde Pach en Carel Peeters) nog niet vergeten, getuige de ironische maar vooral verkrampte wijze waarop het juryrapport begint: `De jury van de Libris Literatuurprijs loopt over van tevredenheid nu het gelukt is het meest cultureel en politiek correcte lijstje nominaties aller tijden samen te stellen. Niet alleen staat er een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke schrijvers op, bovendien zijn alle zes boeken bij verschillende uitgevers gepubliceerd.` Waarna de jury uiteraard meldt dat het hier om `toeval` gaat. Dat moet ook wel, want werkelijke politieke correctheid omvat ook enige mate van evenredigheid naar afkomst (geen enkele allochtone auteur haalde ook maar de longlist van twintig titels) en leeftijd (Daem is met haar vijftig lentes de jongste genomineerde). Met dat laatste zal de dominantie van het verleden ook wel iets te maken hebben.

Even verder in het rapport staat de volgende omslachtige zin: `Het is dat de twintig boeken van de eerste selectie van zo`n hoge kwaliteit waren en dat de zes nominaties door geanimeerde en felle discussie, maar zonder bloedvergieten, tot stand kwamen, anders had de jury weinig moeite gehad om de oogst van het afgelopen jaar als ``mager` te kenschetsen. Het zijn deze twintig boeken, en speciaal de nu genomineerde zes, die alles weer goed hebben gemaakt.`

Helaas, ook de zes boeken die alles goed moeten maken, nemen de indruk niet weg dat 2001 een mager jaar is geweest.

De meest verdiende nominatie is die voor Geertrui Daem. Haar nieuwe roman Koud is in Nederland nauwelijks opgemerkt, en dat is jammer. Het boek speelt zich zo`n dertig jaar geleden af in de buurt van het Vlaamse Aalst. Daar probeert de schoenmaker Roger de Bruyne officiële en informele erkenning te krijgen voor zijn verleden als vrijwilliger in de Koreaanse oorlog. Hij wordt er echter om geminacht door zijn hele omgeving, waarna hij vergeefs probeert ernaar terug te keren. De tweede hoofdfiguur in het boek is zijn puberende, zeer op de toekomst gerichte dochter Ingrid die, gefascineerd is door de dood, met haar rijke vriendin Françoise droomt van een leven als hippie en op geen enkele wijze respect toont voor het verleden van haar vader.

Het langzaam wegzakken van de vader in herinneringen en zijn onvermogen nog iets met het heden aan te vangen wordt het duidelijkst in de geheime brieven die hij aan zijn kinderen schrijft en die her en der verspreid door de roman staan: `Helaas! De verhouding tussen uw moeder en mij is verziekt tot op het bot. Volledig liefdeloos. Mijn gedrag gisteravond sproot voort uit een ultiem pogen hieraan iets te veranderen.`

Koud staat in een lange traditie van sobere, regenachtige Vlaamse literatuur over mensen die geleidelijkaan beseffen dat hun leven nog een stuk uitzichtlozer is dan ze in eerste instantie al vermoedden, zij het dat het verhaal te lang uitgesponnen is en zo goed in die traditie past dat het wat voorspelbaar wordt. Bovendien, maar dat is minder erg, lijkt het boek nauwelijks geredigeerd.

Dat laatste geldt ook voor Over de grens van Chaja Polak, een roman in zeven verhalen, waarin steeds Rosa van Esso – de joodse dochter van een onderduiker en een moeder die Auschwitz overleefde – een hoofd- of bijrol speelt. De nadruk ligt steeds op het beeld dat haar omgeving van haar heeft en dat is vaak de rol van plaatsvervangster van een persoon uit het verleden. In het voorlaatste verhaal ontdekt ze zelf hoezeer die rol aan de kern van haar bestaan raakt.

Steeds is in de verhalen de Tweede Wereldoorlog aanwezig: bijvoorbeeld in het verhaal over de in Frankrijk belande joodse vluchteling Nathan Marx, die ten koste van alles zijn gezin tegen buitenstaanders wil beschermen en zo van zijn leven haast een verlengde onderduik maakt. Of in het leven van Mees Visser, die in Rosa de vervanger ziet van een door de nazi`s gedeporteerd jeugdvriendinnetje. Haar eigen verleden dringt zich aan Rosa op als ze in een chique huis in Italië woont en de Roemeense illegalen vergeefs duidelijk probeert te maken dat zij zich meer beschouwt als een van hen dan als een van de rijken.

De kracht van Over de grens zit niet in de plots – Rosa`s ontdekking van haar eigen geschiedenis is bijvoorbeeld moeizaam geconstrueerd maar in de prachtige psychologische portretten. Die tonen de verschillenden manieren waarop de trauma`s van de jodenvervolging kunnen doorwerken bij degenen die het overleefd hebben en bij de volgende generaties.

In Jan Brokkens Voel maar gebruiken twee mensen elkaar bij de verwerking van vroeger. Voor de Nederlandse rechter Lucas Saverijn is dat een nostalgische liefde voor de tropen, voor de in Panama wonende balling Gabriela Obrizki zijn het haar ervaringen rondom de Argentijnse coup van 1976. Ze ontmoeten elkaar op een cruiseschip dat hen – en haar man en haar drie kinderen – naar Panama brengt. Na hun korte, hevige verhouding heeft Lucas zijn confrontatie met de tropenpassie gehad en meent hij te weten hoe het verder moet in zijn leven, terwijl Gabriela haar biecht heeft gedaan bij een Europese rechter en zo hoopt de grootste last van haar schouders verwijderd te hebben.

Geen slecht gegeven, maar de uitwerking is minder: in Voel maar wordt veel te weinig getoond en veel te veel benoemd, soms zelfs door kinderen van twaalf zinnen in de mond te leggen als: `Me van alles in het hoofd halen omdat die bergen geen centimeter weken en altijd even wit bleven. Dan moet je veel verzinnen om niet doodongelukkig te worden.` Brokken laat iedere figuur zijn eigen gemoedstoestand en die van de anderen uitleggen.

Marius van Vloten, de centrale figuur in Kreutzersonate van Margriet de Moor, lijkt in het begin door één fataal verlopen jeugdliefde zich voor eeuwig van de liefde afgewend te hebben. Na verlaten te zijn schiet hij zich door het hoofd en verliest daarbij zijn gezichtsvermogen. Het trauma wordt jaren later overwonnen als Van Vloten – inmiddels muziekcriticus – verliefd wordt op de violiste Suzanna Flier, wanneer zij Janáceks Kreutzersonate speelt. Ze trouwen. Later, verder verblind door jaloezie, probeert hij haar te vermoorden. In de novelle wordt het verleden vooral overwonnen, zoals De Moor zelf ook probeert de tijd te tarten: het strijkkwartet van Janácek is gebaseerd op een novelle van Tolstoj die zich weer liet inspireren door de sonate van Beethoven.

Bij De Moor klopt bijna alles. De lijnen zijn helder, Van Vloten is een fraai personage, de anderen zijn functioneel en het einde is vernuftig gevonden, maar de perfectie is gestaald. Uiteindelijk blijft er niet meer dan vakmanschap over: de beheersing van de auteur gaat de passie van de helden overheersen.

Robert Anker heeft daar niet veel last van en zijn held David Oosterbaan al helemaal niet. Die heeft namelijk nooit tijd om iets uit te leggen of ergens over na te denken, laat staan om ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Tenminste tot hij zich op een ochtend staat te scheren op zijn woonboot – waarvan zijn eigen wanbetaling de ligplaats in gevaar brengt – en de telefoon gaat. Hij neemt niet op en hoort zo via het antwoordapparaat hoe zijn verleden zich plotseling aan hem opdringt: zijn eenendertigjarige dochter Laura ligt met een overdosis in het ziekenhuis. Hij heeft haar ruim dertig jaar niet gezien.

Aldus het overrompelende begin van Een soort Engeland. In het stilistisch onophoudelijk virtuoze vervolg voelt David Oosterbaan zich geroepen om zijn dochter te redden, wat hem ertoe brengt zich zonder voorbehoud in het drugsmilieu van Amsterdam-Oost te begeven, terwijl tegelijkertijd een soort engel zich over hem lijkt te ontfermen. Oosterbaan ontdekt niet alleen dat hij zijn dochter niet kan redden, maar dat ook zijn overlevingsmechanisme van de laatste decennia – altijd acteren, nooit stoppen – niet goed meer werkt, wat wordt gesymboliseerd door zijn vergeefse pogingen een jonge Vlaamse tegenspeelster het bed in te praten.

Ondanks de brille van Anker zakt het boek halverwege weg. Het tempo blijft hoog, maar nooit krijg je het idee dat het boek ook daadwerkelijk ergens heen wil: de nieuwe vergeefse pogingen om Laura te redden zie je in al hun vruchteloosheid van verre aankomen, de anekdotes uit het toneelverleden zijn aardig, het straatrumoer is indrukwekkend maar uiteindelijk ontbreekt een gedachte die duidelijk maakt waarom wij dit alles moeten lezen.

Bij Harry Mulisch begint het schrijven juist bij de overkoepelende gedachte, en gaat het bijna altijd over het verleden. In het geval van Siegfried bestaat die gedachte uit het verlangen om Adolf Hitler `te vangen in een net van fictie`. Als Rudolf Herter – in alles het evenbeeld van Mulisch – dat plan heeft opgevat komt hij in Wenen tot de ontdekking dat Hitler een zoon heeft gehad, Siegfried, en die heeft laten vermoorden. Deze kennis brengt Herter tot een woeste, filosofisch aandoende keten van gedachten, berekeningen en overtuigingen waar Hitler als het allesvernietigende niets uit tevoorschijn komt, in een eenheid met Nietzsche en wellicht ook Herter zelf. Het finale inzicht kost hem uiteindelijk het leven.

Het brengt de lezer niet tot enig serieus begrip van Adolf Hitler. Wel is Siegfried een vakkundig en spannend verhaal en een interessante poging van de schrijver om Harry Mulisch in het al genoemde `net van fictie` te vangen. Dat levert dan een man op die, wanneer het uiterste van zijn begripsvermogen wordt gevergd, zich verliest in een onnavolgbaar malen dat zijn terminologie nog wel aan de filosofie ontleent, maar dat uiteindelijk – als het ergens op rust – neerkomt op een haast religieus verlangen naar een orde die er toch niet is. Zo wordt hij een man die weet dat hij tekort zal schieten. Wanneer Herter werkelijk dicht in de buurt komt van wat hij wil weten, sterft hij voor hij een letter op papier kan zetten. De schrijver krijgt het verleden uiteindelijk niet te pakken, en de waarheid ook niet.

In een mager jaar is het lastig de winnaar van een grote literaire prijs te voorspellen. De jury kan bijvoorbeeld menen dat de overrompelende aanwezigheid en de stijl van Robert Anker een bekroning rechtvaardigen (en het juryrapport is uitgesproken positief over zijn boek), of dat Geertrui Daem een veel groter lezerspubliek verdient, of dat het psychologisch inzicht van Chaja Polak al het andere in de schaduw stelt. Andersom zijn er redenen te verzinnen waarom het niet goed is om een schrijver wiens vorige boek al bekroond werd met dezelfde prijs (De procedure, in 1999) nu opnieuw te fêteren, maar als de opdracht eruit bestaat om het beste boek uit deze stapel van zes te halen, wijst alles toch weer naar Mulisch.

Hij is bovedien een uitgesproken exponent van de literatuur die in het verleden zijn betekenis zoekt. Sterker nog, een jaar geleden zei hij in deze krant dat hij in de jaren tachtig na een lange stilte weer romans was gaan schrijven omdat `de oorlog` (in Vietnam en tussen provo`s en autoriteiten in Nederland) voorbij was. ,,In de oorlog schrijft men geen romans. Toen de oorlog was gewonnen, werd het weer tijd voor verhaaltjes`. Het kan dus nog een paar jaar duren, jaren van non-fictie wellicht, maar in ieder geval is duidelijk dat de literatuur zijn opwinding niet meer per se in het `toen` en het `elders` hoeft te zoeken.

Dan kan de fictieve dinertafel van hoofdpersonen over een paar jaar de gesprekken opleveren die iedereen wél wil meemaken: nieuwe gesprekken tussen mensen wier levens zich niet meer hoeven af te spelen in het verleden en verre oorden. Scheppingen van schrijvers aan wie het hier en nu zich inspirerend en onontkoombaar opdringen en die elkaar zo naar grote hoogten opstuwen.

Op naar de boeken van de nieuwe paniek.



Copyright NRC Handelsblad BV
19-10-2001 - Hans Goedkoop

Dan is het tien jaar later. De man blijkt nog te leven, met een weer bijeengelapt gezicht. Hij valt weer voor een jonge vrouw en zij ook weer voor hem. Het gaat zelfs goed. Ze trouwen. Maken een kind. Hij krijgt precies wat hij verlangt en heeft dus nauwelijks reden om te doen wat hij vervolgens, met een kalmte die hem zelf verwondert, toch gaat doen. Een nieuwe destructieve daad beramen.

Wat bezielt die man?

Het is die vraag die je de weg wijst door Kreutzersonate – zoals eigenlijk door al Margriet de Moors romans. De helden uit haar werk zijn steevast mensen die op zomaar een klaarlichte dag de banden met hun wereld doorsnijden. Ze doen de deur achter zich dicht en dat is dat, geen afscheidsbrief, geen clou, ze laten iedereen en alles achter in verbijstering en dus ook jou, als lezer.

Vlijtig ga je dan op zoek naar een verklaring voor hun stap, maar dat is net het probleem van die stap, die plaatst hen buiten de coördinaten van het dagelijkse leven. Wat hun motiveert is niet te vangen in geijkte denkpatronen, met een beetje huishoudpsychologie kom je niet toe. Er is geen verklaring, zegt een koppig zinnetje dat in De Moors werk steeds weer opduikt.

Maar dat is natuurlijk niet het laatste woord, want anders was dat hele werk er niet geweest. Juist hun ongrijpbaarheid verraadt wat er met deze helden aan de hand is. Hun gedrag komt schijnbaar uit het niets. Het is geïnspireerd, het wordt hun ingeblazen, en dat betekent, hoe gek het ook klinkt, dat zij zich niet meer laten leiden door de wetten van de psychologie maar van de verbeelding.

En laten dat nou net de wetten zijn van de roman. De Moor zet de romankunst in om dat deel van de werkelijkheid te onderzoeken dat alleen de kunst goed kan bereiken. Ze laat zien hoe mensen naast de alledaagse wereld van de feiten nog een tweede wereld hebben, een van dromen, vrijheden en mogelijkheden, en dat ze daar sterker door beheerst worden dan ze beseffen. De verbeelding staat niet naast de werkelijkheid, ze ligt er middenin, au bain Marie.

Hemelgewelf

Zo ook in Kreutzersonate. Duidelijker dan ooit tevoren zelfs, want de verbeelding neemt dit keer een tamelijk concrete vorm aan. Sinds zijn schot in eigen hoofd is de gedoemde Marius van Vlooten beroofd van zijn gezichtsvermogen – liefde maakt blind. Hij scherpt daarom een ander zintuig, zijn gehoor, in het besef dat ook de oren `bemiddelen tussen jou en het hemelgewelf`, en dan vooral natuurlijk bij het horen van muziek. Die meest onaardse kunst op aarde, zo abstract en toch zo werkelijk, daarin ligt alles wat hem gaat bezielen.

Dat geeft houvast als je de lijnen van zijn leven volgt. Hij gaat muziekkritieken schrijven en maakt daarin zelfs in het buitenland naam. Dat brengt hem, tien jaar na het schot, naar een kasteeltje bij Bordeaux waar een masterclass voor strijkkwartetten wordt gehouden. Daar is ook een violiste met het soort talent dat `rechtstreeks uit de kosmos` lijkt te komen, Suzanna Flier, die kort daarop zijn vrouw zal worden. En zo verder – elke stap komt voort uit de muziek.

Cruciaal vooral is het muziekstuk waarin hij Suzanne Flier voor het eerst hoort spelen, Janá^ceks Eerste Strijkkwartet, bekend geworden als de Kreutzersonate. Vier nerveuze delen, met daarin verborgen het verhaal van een verliefde vrouw en een jaloerse man dat uitloopt op totale huwelijkse waanzin. Niet de ideale muzikale begeleiding voor een liefde die nog moet beginnen, zou je denken, en je vraagt je dus af waarom het juist dit werk is, met Suzanna Flier als de verliefde vrouw op eerste viool, dat Marius van Vlooten voor de bijl doet gaan.

Maar misschien dat de muziek hem op dat ogenblik wel beter peilt dan je gezond verstand dat kan. Een paar jaar later, getrouwd en eigenlijk toch heel gelukkig, raakt er in Van Vlootens hoofd iets aan het schuiven. Hij is humeurig. Hij wordt jaloers. Hij weet steeds zekerder dat zijn Suzanna hem bedriegt, al heeft hij geen bewijzen, en je zou dat kunnen wijten aan zijn blindheid, die hem van de wereld afsluit en wantrouwig maakt. Maar als het zo eenvoudig ligt, hoe moet je dan verklaren dat hij daarmee nauwgezet het drama naspeelt uit het stuk waarmee zijn liefde voor Suzanna is begonnen?

Zo leidt de muziek je naar ongrijpbare regionen van Van Vlootens geest. Muziek, is de suggestie, geeft uitdrukking aan neigingen die altijd al in hem zaten en toch op de een of andere manier buiten hem omgaan. Sterker nog, die buiten de taal omgaan, en daarmee haalt de schrijver zich nogal wat op de hals. `Wie over muziek spreekt, spreekt nu eenmaal langs omwegen`, zoals ze schrijft. Wil haar eigen Kreutzersonate slagen, dan moet De Moor een omweg vinden naar een strijkkwartet, dat zelf natuurlijk ook al een omweg was.

Verteller

Voor dat doel treedt een verteller aan die voor de lezer uitgaat in een poging door te dringen tot de wisselwerking tussen muziek en mens. Hij is musicoloog en maakt Van Vlooten twee keer mee: eerst in Bordeaux, waar hij de liefde voor Suzanna Flier ziet ontluiken, en vervolgens tien jaar later, als de jaloezie zich heeft ontladen in die nieuwe destructieve daad die hier nog maar geheim moet blijven. Hij ziet een verwoeste man en zoekt vanuit dat beeld het spoor terug.

Kreutzersonate houdt zich daardoor aan geen enkele chronologie. Je schiet vanaf het eindpunt terug naar een herinnering van de verteller aan zijn eerdere ontmoeting met Van Vlooten, naar het strijkkwartet van Janá^cek, naar een beschrijving van Suzanna Flier, naar het verhaal van de kogel door het hoofd. Je scheert langs tijden en thema`s, pakt motieven op die eerder afgebroken werden, draait in steeds kleinere cirkels om het raadsel dat Van Vlooten is.

Die strategie hanteert De Moor al langer – geen schrijver in ons land die zo bedreven is in de omtrekkende beweging. Maar in Kreutzersonate gaat ze nog een stapje verder. De bewegingen zijn zo associatief, de schakelingen zo soepel, dat je ingesponnen raakt in de abstracte kwaliteit van vorm en ritme van de scènes. Het betoog wordt vrijwel letterlijk muziek, je waant je in een strijkkwartet van taal en ondergaat de macht daarvan dus zelf.

Daarnaast is er ook materiaal voor een meer beschouwelijke benadering. De verteller, niet voor niets musicoloog, denkt na over de verscherping van het oor als het gezichtsvermogen wegvalt. Over de betekenis van muziek als food of love. Over, omgekeerd, de betekenis van liefde in muziek, en of het echt wel waar is dat er in dat stuk van Janá^cek een liefdesdrama hineingeheimnist is, zodanig dat een luisteraar het er weer uit kan halen.

Veel van die gedachten komen samen aan het slot, waar de verteller het mysterie van de held in een traditie past. Werd Marius van Vlooten aangegrepen door een strijkkwartet van Janá^cek, die componist was bij het schrijven van dat stuk gegrepen door een eerdere Kreutzersonate, de novelle van Tolstoj. Die weer terugging op de Kreutzersonate van Beethoven. Van Vlooten staat in een lijn van mensen die in kunst iets onbenoembaars uit hun eigen leven terugvonden en daar op hun beurt weer een nieuwe vorm aan gaven.

De voorspelbare vraag is dan `wat de volgende halte zou zijn op deze lijn`, zoals de verteller het zegt, en het voorspelbare antwoord is: het boek dat je in handen houdt. De Kreutzersonate van De Moor is een vervolg en tegelijk een lofzang op haar voorgangers. Het is een vorm van kunst over kunst, niet als verdediging van kunst-om-de-kunst, buiten de werkelijkheid, maar juist van kunst als vormgever en schepper van de werkelijkheid.

Dat is een glasheldere poëtica, die als een antwoord klinkt op de kritieken die De Moor kreeg op haar laatste twee romans, Hertog van Egypte en Zee-Binnen. Dat omcirkelen van een mysterie, elk boek weer iets fijnzinniger, het dreigde op den duur onwezenlijk te worden, onaannemelijk, gekunsteld. Raakte de werkelijkheid hier niet een beetje uit het zicht? Nee, zegt De Moor nu, dat omcirkelen benadert juist de werkelijkheid.

Duizeling

Toch denk ik niet dat Kreutzersonate de bezwaren met die helderheid verholpen heeft. Want hoe dit boek ook met de werkelijkheid bezig mag zijn, er mist nog steeds iets essentieels in de ervaring die je daarvan meekrijgt. Het is een verhaal over een man die zich tot tweemaal toe op een toch duizelingwekkende manier de ruimte in lanceert, weg van de wereld, kan niet schelen wat het allemaal kapot maakt en bij wie. Maar waar blijft bij het lezen nou die duizeling?

Om te benaderen wat zich niet laat benoemen rukt De Moor, terecht, een breed assortiment van vormen en technieken aan. Ze is subtiel in de omschrijving van de ijlste gewaarwordingen, virtuoos in de afwisseling met essayistische notities, briljant in de constructie van een samenhang waarin al die details op hun plaats vallen. Maar in al die dingen is ze tegelijk zo rationeel en zelfbewust dat er geen schijn van kans meer is dat uit de woorden nog iets loskomt wat je onverhoeds aanvalt en overrompelt, zoals een ervaring dat nou eenmaal doet.

Alles is beheersing, bij De Moor. Behalve net haar thematiek, die wil precies de andere kant op, en die tweespalt breekt haar sterker op naarmate haar meesterschap groeit. Hoe beter ze wordt, hoe slechter ze wordt. Hoe meer muziek ze maakt, hoe minder werkelijkheid die schept.

Toen maakte hij de opmerking, de aansporing,

tegen niemand in het bijzonder, waarvan hij de voorspellende kracht, mooi en verschrikkelijk, met geen mogelijkheid had kunnen vermoeden. Wie over muziek spreekt, spreekt nu eenmaal langs omwegen.

`Don`t play the notes,` zei hij vriendelijk, `just humanize them.`

We zwegen en dachten wel te begrijpen wat hij bedoelde.

Uit Margriet de Moor: Kreutzersonate



Copyright NRC Handelsblad BV