Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
De wereld volgens Monsanto
 

De wereld volgens Monsanto

Marie-Monique Robin
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 22,50
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
De wereld volgens Monsanto
ISBN/EAN 9789044513745
Hoogte (in mm): 233
Gewicht in (in gram): 581
Breedte (in mm): 150
Dikte (in mm): 33
Taal: Nederlands
Bindwijze: Paperback
Genre: Mens en maatschappij algemeen
Aantal pagina's: 382
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20090608
Vertaler: Marianne Gaasbeek
Auteur: Marie-Monique Robin
Print dit artikel
25-9-2009 - Onbekend

 

Van alle debatten over landbouw en voedsel; biologisch of niet, grootschalig of lokaal, vlees of vegetarisch; is het debat over gentechnologie het felst. Neutrale boeken over gentechnologie zijn dan ook zeldzaam. In de wetenschap is zelfs sprake van een „slagveld”, zoals een artikel in het tijdschrift Nature eerder deze maand verkondigde.`


Gentechnologie gaat over het kunstmatig, geforceerd veranderen van de erfelijke eigenschappen van organismen. Via kruising veredelt de mens al eeuwenlang gewassen langs natuurlijke weg. Bij gentechnologie brengt men genen in van organismen die soms helemaal niet gerelateerd zijn aan de ontvangende plant, wat via kruising onmogelijk zou zijn. Er is heel veel debat over de mogelijke gevolgen van gentechnologie, maar is het debat wel eerlijk? Kan de nietsvermoedende toehoorder er van op aan dat sprekers geen verborgen agenda”s hebben?

In Marie-Monique Robins studie over Monsanto, de grootste producent van gengewassen ter wereld, komt de carrière van ene Michael Taylor uitgebreid ter sprake. Deze naam dook onlangs ook op in een persbericht van de Amerikaanse  Food and Drug Administration (FDA) dat meldde dat deze „bekende expert op het gebied van voedselveiligheid” was benoemd tot adviseur. Het persbericht vermeldde niet dat Taylor ooit vice-president was van Monsanto. Waarom niet? Toont dat wellicht aan dat de FDA aanvoelde dat de benoeming van Taylor een tikje vreemd is?

Een van de kwesties die Robin aan de orde stelt, is de vermenging van privésector en overheid in de VS. De carrière van Taylor is daar het ultieme voorbeeld van. In de jaren zeventig én jaren negentig werkte Taylor ook al voor de FDA. Begin jaren negentig was hij verantwoordelijk voor de regelgeving rond gengewassen. Het belangrijkste succes van de industrie destijds was dat de overheid in de VS gengewassen ziet als „wezenlijk gelijkwaardig” aan conventionele gewassen en geen apart goedkeuringstraject kent, zoals de EU. Dus is er ook geen verplichting om ggo”s op voedsel- etiketten te vermelden. In 2005 dacht slechts een kwart van de Amerikanen dat ze ooit een gengewas hadden gegeten, terwijl die in 70 procent van alle supermarktproducten zitten. De industrie weet etikettering tegen te houden, ook al wil 94 procent van de Amerikanen dit wel.

 Een fel debat onder wetenschappers, industriëlen, actievoerders en beleidsmakers kan goed zijn voor het scheiden van het zinloze en het nuttige. Maar er ontstaat een probleem als de burger er niet op kan vertrouwen dat de overheid opkomt voor het algemeen belang of dat in de wetenschap wetenschappelijke zuiverheid prevaleert boven commerciële belangen.

Wie de boeken van Robin (De wereld volgens Monsanto) en Claire Hope Cummings (Uncertain Peril. Genetic Engineering and the Future of Seeds) leest, kan niet anders dan concluderen dat er een probleem is met het debat rond gentechnologie. Ook al hebben beide journalisten duidelijk een appeltje te schillen met het bedrijfsleven, de problemen die zij aanstippen zijn van dusdanig kaliber dat ze niet zouden mogen worden genegeerd. Robin portretteert een bedrijf dat de tentakels wel erg ver heeft uitgestrekt, tot in de kamers van beleidsmakers en wetenschappers; ook in Nederland (zie inzet).

Zoals de meeste biotechondernemingen was Monsanto ooit een chemisch bedrijf. De relatie met landbouw bestond slechts uit de productie van landbouwgif. Monsanto produceerde bijvoorbeeld Agent Orange, het ontbladeringsmiddel uit de Vietnamoorlog. Maar Monsanto heeft in de jaren tachtig van de vorige eeuw goed gezien hoe biotechnologie de verkoop van landbouwgif kon ondersteunen: produceer gewassen die het eigen landbouwgif weerstaan en verkoop beide gezamenlijk. Met deze combi, het landbouwgif Roundup en gewassen die Roundup Ready zijn, is Monsanto groot geworden.
De symbiose met de Amerikaanse overheid loopt via de spreekwoordelijke „draaideur”, waarbij functionarissen steeds heen en weer hoppen tussen overheid en bedrijfsleven. Michael Taylor is hierbij zeker niet de enige. De draaideur staat ook open voor politici als Michael Kantor, minister van Handel onder Clinton en onmiddellijk daarna lid van de raad van bestuur van Monsanto, of Ann Veneman, ooit hoofd van Monsanto-dochter Calgene en minister van Landbouw onder Bush junior. De draaideur werkt ook voor allerlei specialisten die heen en weer gaan tussen topfuncties bij Monsanto en aan overheidszijde de FDA, het agentschap voor bescherming van het milieu (EPA) of het Amerikaanse ministerie van Landbouw.

Men kan zeggen dat overheidsdiensten baat kunnen hebben bij de kennis van specialisten, maar het wordt een ander verhaal als „de regelgevers zichzelf zien als cheerleaders voor de biotechnologie”, zoals Robin optekent uit de mond van de oud-minister van Landbouw Dan Glickman, en de regels feitelijk laten dicteren door de industrie. Toen hij in 1995 minister werd, vertelt Glickman aan Robin, was het klimaat zo dat „als je niet blindelings meemarcheerde en voor het snel toelaten van gentechproducten was, je beschouwd werd als iemand die tegen de wetenschap en de vooruitgang was”.

Het slagveld in de wetenschap houdt niet alleen verband met de lange tenen van prestigebewuste wetenschappers, maar ook met de groeiende geldstroom van bedrijfsleven naar universiteiten. Toen twee wetenschappers in 2001 een artikel publiceerden over de onbedoelde verspreiding van genmaïs in Mexico (gengewassen worden geacht zich niet vrijelijk te verspreiden in de natuur of over velden waar non-ggo”s staan) verschenen er op internet onmiddellijk verdachtmakingen over hun onafhankelijkheid en intenties. De organisatie GM Watch toonde aan dat de e-mailskwamen van e-mailadressen van Monsanto en het pr-bureau Bivings, dat onder meer voor Monsanto werkt.

Het boek van Cummings is in veel opzichten vergelijkbaar met dat van Robin, zij het dat Cummings zich met de hele biotechsector bezighoudt. De problemen rond „de privatisering van publieke instanties en de politisering van de wetenschap”, zoals ze het noemt, zijn evenwel vergelijkbaar. Het  toekomstbeeld van Cummings is daarbij erg zwart, want zij ziet een groot gevaar voor het weinig bekende fenomeen van de totaal beschikbare reservoir aan zaden.

Dit reservoir aan genen, waaruit bijvoorbeeld boeren en wetenschappers kunnen putten voor hun gewassen, loopt gevaar, stelt Cummings, en daarmee loopt de mensheid gevaar. Reservoirs worden aangehouden in  zaadbanken die in veel landen  meestal als publieke instituten bestaan. Maar het in stand houden van zo”n collectie kost kapitalen, zonder dat daar op korte termijn voordelen tegenover lijken te staan. De voortschrijdende privatisering van de wetenschap bedreigt deze instituten, stelt Cummings.

Dit mag vergezocht klinken, maar ook in Nederland trokken eerder dit jaar particuliere zaadbedrijven aan de bel; ze vroegen de overheid om een einde te maken aan de voortschrijdende „privatisering” van zaden door gentechbedrijven, die met gebruikmaking van het octrooirecht hun belangen veiligstellen. De Nederlandse zaadbedrijven wezen op de risico”s voor de voedselvoorziening wegens een gebrek aan toegang tot variëteiten van planten.

De voorstanders van gengewassen gooien het intussen over een geheel andere boeg: de wereldbevolking groeit, terwijl een deel nu al hongert. En dus moeten we om zoveel mogelijk te produceren alle zeilen bijzetten, inclusief biotechnologie. Dat is een gek argument, want als biotechnologie tot dusver iets niet heeft opgeleverd dan zijn het wel grotere oogsten of andere voordelen voor de consument.

Er zijn maar twee soorten gengewassen: gewassen die een bepaald landbouwgif kunnen verdragen zodat de boer zoveel kan spuiten als hij wil, en een gewassoort die een ingebouwd gif heeft tegen een bepaald insect, waarmee de biotechbedrijven zelf een vervanger leveren van het gif dat anders hun chemische poot aanbiedt.

In Starved for Science erkent Robert Paarlberg dit falen van de industrie en schrijft hij het Europese verzet tegen gengewassen toe aan het gebrek aan tastbare voordelen voor de consument. Maar: toch zullen we gengewassen nodig hebben, stelt Paarlberg, vanwege die groeiende wereldbevolking. Om zijn argumenten kracht bij te zetten, verplaatst hij het debat naar Afrika, waar de meeste mensen hongeren.
De cynische geest kan dit zien als een nieuwe zet in het schaakspel om werelddominantie. De verspreiding van gengewassen is namelijk vooralsnog grotendeels beperkt tot Noord- en Zuid-Amerika, waar genvarianten van maïs, soja, katoen en koolzaad grootschalig worden geteeld. In Azië (India en China) is ook genkatoen, maar van rijst of tarwe zijn geen genvarianten op de markt, omdat Amerika daarmee het risico zou lopen grote exportmarkten te verliezen. Behalve Europa is ook de grote voedselimporteur Japan niet erg enthousiast over gengewassen.

Waarom teelt men in Afrika geen gengewassen? Omdat Afrika  in de Europese invloedssfeer ligt, stelt Paarlberg: Afrika exporteert veel meer naar de EU dan naar de VS en ontvangt veel meer ontwikkelingshulp van de EU. Door Afrikanen een aversie tegen gengewassen aan te praten, zullen de rijke Europeanen binnenkort verantwoordelijk zijn voor de honger in Afrika, vindt Paarlberg impliciet. Hij twijfelt duidelijk niet aan de toekomstmuziek van een droogteresistent gengewas.
Tussen neus en lippen door erkent Paarlberg echter al een ander probleem: omdat Afrikaanse boeren arm zijn, is er geen enkele prikkel voor biotechbedrijven om hun droogteresistente genen in te bouwen in tropische gewassen. Een boer die overstapt op gengewassen zal namelijk wegens het octrooirecht elk jaar nieuw zaad moeten kopen. Een deel van de oogst achterhouden als zaaigoed staat de industrie niet toe.

Om dit soort redenen concludeerde een groep van ongeveer vierhonderd wetenschappers, bijeengebracht door de Wereldbank en de Wereldvoedselorganisatie (FAO), een jaar geleden dat biotechnologie juist niet het belangrijkste is voor de toekomst van Afrika. Het eindrapport van deze International Assessment of Agricultural Science and Technology for Development (IAASTD) legde  de nadruk op het stimuleren van de zelfstandigheid van kleine boeren en het verhogen van de opbrengst per hectare via simpele technieken. Het is dus niet vreemd dat een biotechbedrijf, Syngenta, halverwege het overleg wegliep. Het is ook niet vreemd dat de Verenigde Staten, die participeerden in het overlegproces, het slotdocument niet onderschreven.

Het Amerikaanse antwoord op de IAASTD is niet alleen het pleidooi van Paarlberg, maar volgens de blogosfeer ook de benoeming van Michael R. Taylor bij de FDA. Op de website foodfirst.org staat uitgebreid beschreven hoe Taylor de laatste jaren met steun van de Rockefeller Foundation (ook een van de financiers van het boek van Paarlberg) een aantal publicaties heeft gewijd aan de noodzaak om biotech te promoten in Afrika. Bij gebrek aan prikkels voor de industrie is het met name de Rockefeller Foundation die, samen met de Bill and Melinda Gates Foundation, in dit gat is gedoken. Bij die laatste organisatie is sinds 2006 een prominente rol weggelegd voor een zekere Dr. Robert Horsch, voormalig vice-president van Monsanto.

 



Copyright NRC Handelsblad BV