11-9-2008 - Onbekend
Lange tijd woonde Rob van Essen in de Czaar Peterbuurt in Amsterdam- Oost. Dat las ik althans in zijn vorige boek, een dagboekachtige kroniek die hij een jaar lang bijhield: Het jaar waarin mijn vader stierf (2006). Niet alleen Van Essen woonde in de Czaar Peterbuurt, maar ook de hoofdpersonen uit zijn eerste vier romans huisden er op meer of minder bedompte etages. Ze bezochten er bijvoorbeeld café de Sputnik of werkten als barkeeper in jeugdherberg De Nachtwacht, waar regelmatig iets voorviel en waar belangrijke ontmoetingen plaatshadden. ‘Het was een buurt waarin je woonde voor je het wist’, overpeinst de held van Troje (2002), in de droge, altijd wat onthechte stijl van Van Essen.
Het lijkt er een beetje op dat er met de verhuizing uit de Czaar Peterbuurt een tweede fase is aangebroken in het schrijverschap van Van Essen. In zijn nieuwe roman, Visser, heeft de studentikoze setting plaats gemaakt voor een bredere maatschappelijke blik. Geen etagewoningen meer, maar een doorzonwoning aan een woonerf. Geen barkeepers meer, maar psychiaters, leraren en journalisten. Geen fietsen meer die gesloopt worden door vandalen, maar een keurige Saab of Golf voor de deur, waarmee men ‘via de Rakel en de Vlegel naar de Kruislaan’ rijdt. De stad is verruild voor de provincieplaats Vlasveld, in de nabijheid van het stadje Zwoldrecht, waar de Zwoldrechter Courant wordt gedrukt: een belangrijk medium in dit streekverhaal.
Hoofdpersoon Jacob Visser is leraar geschiedenis op een middelbare school. Of liever gezegd: hij wás leraar geschiedenis. Hij is met verlof gestuurd omdat hij ongepaste uitspraken zou hebben gedaan over kampbeulen en slachtoffers. Uitspraken die flink aangedikt in het streekblad terecht zijn gekomen met alle commotie van dien. Maar hij doet geen moeite om ze te weerleggen. Ook zijn huwelijk met Maja heeft zijn beste tijd gehad. Al in het eerste hoofdstuk wordt duidelijk dat ze volledig langs elkaar heen leven. Een troosteloze geschiedenis in een troosteloos dorp, zoiets lijkt Van Essen ons op het eerste gezicht te bieden te hebben: de droevige lotgevallen van een overspannen leraar, de zoveelste roman over een uitgeblust huwelijk in een akelige buitenwijk.
Gelukkig blijkt Visser helemaal niet zo´n voorspelbaar boek te zijn. Het wint, na het gezapige openingshoofdstuk, al snel aan vaart en ontwikkelt zich tot een druistig geheel, vol onverwachte wendingen, verrassende overwegingen en vreemde, beklemmende gebeurtenissen: drankgelagen in een aftandse caravan, regelmatige, bijna surrealistische ontmoetingen met het duo Van Hulten en Van der Hilst, agenten van politie, de uitbraak van een massale voedselvergiftiging in het Provinciehuis, of het tragikomische gevecht met een cliniclown in het ziekenhuis.
Steeds weet Van Essen die uiteenlopende voorvallen soepel te verwerken in het verhaal over Jacob Visser, die aan onrust en verwarring ten prooi is en zich onaangepast gedraagt. Opmerkelijk is vooral hoe hij alles maar laat gebeuren zonder zich ook maar een enkele keer tegen valse aantijgingen te verdedigen. Hij rijdt in zijn Saab van hot naar haar zonder dat hem dat enige verlichting geeft. Alles ontspoort hier, kan je gerust zeggen, maar het verhaal, hoe gek soms ook, blijft tot het eind goed te volgen en wordt hoe langer hoe aangrijpender.
‘Meneer Visser’, zoals hij door zijn leerlingen wordt genoemd, heeft wel iets gemeen met de cynische pestkop uit Meneer Visser’s hellevaart (1934) van S. Vestdijk. Zoals Vestdijks Visser met enkele handlangers het stadje Lahringen onveilig maakte met zijn ‘kwajongensstreken’, zo opereert in Zwoldrecht een baldadige, ultrarechtse ‘Visserjeugd’, al heeft Visser aan de in zijn naam gepleegde brandstichtingen en vernielingen part noch deel. Beide Vissers zijn tragische figuren. Bij Vestdijk is er een gemene oom in het spel. Bij Van Essen een dood kind, dochter die niet ouder werd dan negen.
Van Essen treedt hier in het voetspoor van Anna Enquist en P.F. Thomése die schreven over het smartelijke verlies van een dochter, met dit verschil dat hij, voorzover bekend, niet uit eigen ervaringen putte, maar het leed zelf verzon. De onverwerkte rouw wordt hier steeds mooi omcirkeld en niet één keer benoemd. Het meisje zelf doet er niet meer toe. Het gaat om de leegte die ze achterliet en die nooit helemaal is opgevuld. En om het schuldgevoel dat Visser nog leeft en zij niet.
Door onrust gedreven loopt hij zomaar een keer de afdeling op van het ziekenhuis waar zijn dochter ooit lag. Hij komt terecht bij een doodziek jongetje dat hem met grote holle ogen aankijkt en dat hij met wat verhaaltjes toch nog een lachje weet te ontlokken. Een aandoenlijke passage. Een van de hartverscheurende hoogtepunten zelfs van een bijzonder fijngevoelige roman over een man die niets meer kan overkomen, omdat hij al onherstelbaar beschadigd is.
Copyright NRC Handelsblad BV