Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
De crisiskaravaan
 

De crisiskaravaan

L. Polman
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 17,95
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
ISBN/EAN 9789050189736
Breedte (in mm): 134
Dikte (in mm): 22
Hoogte (in mm): 216
Gewicht in (in gram): 323
Taal: Nederlands
Bindwijze: Paperback
Aantal pagina's: 230
Genre: Geschiedenis algemeen
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20081001
Auteur: L. Polman
Print dit artikel
10-10-2008 - Onbekend

In Rwanda waren in 1994 al zo’n 800.000 mensen over de kling gejaagd toen de westerse  hulpverlening serieus op gang kwam. Geen van de duizenden ontwikkelingswerkers in het Centraal- Afrikaanse land had een genocide zien aankomen. Dat Hutu’s op radiozenders maandenlang werd opgeroepen de ‘kakkerlakken’ te ‘verdelgen’ en dat tot in hoofdstad Kigali de kapmessen werden geslepen om de Tutsi’s daadwerkelijk een kopje kleiner te maken, was de landbouwdeskundigen en specialisten op het gebied van lokaal bestuur ontgaan. Ze waren druk met hun eigen projecten en met de onderlinge concurrentie, en hadden geen enkel benul van de politieke context waarin ze hun goedbedoelde opbouwwerk verrichtten. Toen de volkerenmoord eenmaal losbarstte, werden de goeddoeners uit lijfsbehoud schielijk gerepatrieerd.

De hulp die kwam, was noodhulp en richtte zich vooral op de vele miljoenen Hutu’s die de grens met toenmalig Zaïre waren overgestoken. Maar de kampen rondom de stad Goma boden niet slechts onderdak aan onschuldige burgers. Onder de vluchtelingen bevonden zich de Rwandese Hutu-soldaten en tienduizenden burgermilities die verantwoordelijk waren voor de moordpartijen tijdens de fatale weken daarvoor. Terwijl geld en voedsel binnenstroomde en door de hulporganisaties een humanitaire infrastructuur werd aangelegd, konden de mannen met de machetes in de kampen aansterken en zich hergroeperen. De ‘vlucht’ was ten dele een tactische terugtrekking.

Onder het toeziend oog van het Rode Kruis, Artsen Zonder Grenzen en vele honderden minder bekende organisaties met de meest wonderlijke namen, vestigden de oude Rwandese machthebbers vanuit comfortabele toeristenhotels aan Lake Kivu een fijnmazig bestuur dat tot op wijkniveau in de kampen de touwtjes in handen had. De ministers leefden niet alleen van het geplunderde overheidskapitaal dat ze meebrachten uit Kigali, maar hieven heel gewiekst ook belasting op de juist door de goed bedoelende maar net als vóór de genocide ‘apolitieke’ hulpverleners uitgedeelde voedselrantsoenen. Van de inkomsten werden de soldaten betaald die bij nacht en ontij, als de ngo-medewerkers zich hadden teruggetrokken op hun streng bewaakte compounds, de kampen terroriseerden en de uitroeiing van de kakkerlakken voortzetten.
De Franse tak van Artsen Zonder Grenzen vond dat niet langer acceptabel en besloot Goma te verlaten, noteert Polman in haar deze week verschenen boek De crisiskaravaan. De organisatie erkende tegenover donateurs dat de geleverde ‘hulp’ geen oplossing bood, maar de noodsituatie aan de grens met Rwanda langer in stand zou houden. Andere hulporganisaties reageerden gepikeerd op de kritiek van de Fransen en namen het werk over. In hun publieke optredens zeiden ze dat de vele doden die in de kampen vielen louter te wijten waren aan een cholera-epidemie, terwijl veel mensen domweg vermoord waren door de Hutu-rebellen. Het was uiteindelijk het nieuwe Tutsi-regime in Rwanda dat de grens met Zaïre overtrok om met de extremisten korte metten te maken.

De nasleep van de Rwandese genocide is een hoofdstuk in de geschiedenis van de noodhulpverlening die door veel ‘humanitairen’, zoals Polman ze bij gebrek aan een betere Nederlandse term noemt, liever onder het tapijt geveegd wordt. De journaliste, die eerder een veelgeprezen boek schreef over falende vredesmissies van de Verenigde Naties, legt de vinger op de zere plek: ze vraagt zich af hoe lang het verantwoord is om met een claim op ‘neutraliteit’ hulp te blijven verstrekken, terwijl in maar weinig conflicten of humanitaire catastrofes die aanspraak op onpartijdigheid recht gedaan kan worden. Met zevenmijlslaarzen schuimt Polman in haar betoog van Rwanda naar Sierra Leone en van Afghanistan naar Sri Lanka om te laten zien dat noodhulp vaak meer kwaad doet dan goed, maar dat de betrokken clubs er in hun concurrentiestrijd om de euro’s van donateurs belang bij hebben om onverkwikkelijke waarheden over de ware toedracht van een conflict of de schier onmogelijke missies waarin ze verzeild zijn geraakt niet aan de grote klok te hangen.

Tsunami
Daarbij spaart ze gelukkig ook haar eigen beroepsgroep niet. Wat veel gesubsidieerde en aan de leiband van hulporganisaties meelopende media en de noodhulpverstrekkers volgens Polman gemeen hebben, is dat ze de politieke context van veel conflicten niet kennen of niet willen kennen. De journalisten schieten hun ten hemel schreiende plaatjes en vliegen naar de volgende ramp zonder kritische vragen te stellen en de hulpverleners knijpen een oogje toe als een deel van de hulp in verkeerde handen komt. Want niets doen om het leed te verzachten is voor hen geen optie. Daarmee scharen ze zich in het kamp van de Zwitserse zakenman Henri Dunant, die in de 19de eeuw het Rode Kruis oprichtte. Polman schrijft breeduit over een dispuut dat Dunant had met zijn tijdgenoot Florence Nightingale, de verpleegster die in opdracht van de Britse regering tijdens de Krimoorlog gewonde militairen onder haar hoede had. Nightingale vond het een nogal onzalig plan om, zoals Dunant van plan was, een particuliere organisatie op te richten voor het verzorgen van oorlogsgewonden. Zij had al op de Krim gezien dat je op die manier ondanks je goede bedoelingen de oorlog in stand hield. Opgelapte soldaten werden door de Britten tenslotte direct weer naar het front gestuurd. Onpartijdige hulpverlening was volgens Nightingale niet mogelijk.

Linda Polman neigt in haar soms wat cynisch getoonzette verhaal ook naar dat standpunt. In ieder geval laat ze op confronterende wijze zien tot welke ongemakken koste wat kost doorgaan met hulp kan leiden. Alle hulp is politiek, of de hulpverleners dat nu leuk vinden of niet.

Met haar verontrustende boek sluit Polman zich aan bij het steeds luider klinkende koor van denkers, schrijvers en politici dat de internationale hulp op de korrel neemt. De meeste critici in Nederland maakten zich tot nu toe vooral kwaad over de vanzelfsprekendheid van de jaarlijkse 0,8 procent van het nationale inkomen die aan structurele ontwikkelingssamenwerking wordt uitgegeven. Dat na natuurrampen of droogtes humanitaire noodhulp verstrekt wordt, staat ook voor uitgesproken populisten in de Tweede Kamer buiten kijf. Geen politicus durft het aan om zich na een natuurramp tegen het giro-555-sentiment te keren en te verklaren dat we de hand op de knip moeten houden omdat onze goedbedoelde rijstbalen, tenten en medicijnen misschien in verkeerde handen zouden komen.

De ontwikkelingseconoom William Easterly was in de politieke discussies over het falen van de hulp de laatste jaren een van de meest geciteerde stemmen. Met zijn in 2006 verschenen boek The White Man’s Burden betoogde de Amerikaan dat ook het zoveelste plan om armoede ‘geschiedenis’ te maken, de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties, een utopie is. Hij pleitte er in zijn bestseller voor om niet te vertrouwen op ‘planners’ in glimmende hoofdkantoren van de VN of de Wereldbank, maar op ‘zoekers’, mensen die met beide benen op de grond in kleine projectjes kijken wat wel en wat niet werkt. Maar wát dan precies zou werken, dat kon Easterly destijds niet vertellen.

Fine fleur
Onlangs verscheen een vuistdikke bundel waarin Easterly met de fine fleur van de ontwikkelingseconomie probeert alsnog tot die oplossingen te komen. Maar ondanks de veelbelovende titel Reinventing Foreign Aid is ook dit nieuwe boek vooral een opsomming van alles wat bij de hulp aan arme landen mis kan gaan. Treffend is niettemin Easterly’s introductie, waarin hij met vette ironie schrijft over ‘uiteenlopende geleerden als George Clooney, Pelenope Cruz, Bono en Angelina Jolie’ die zich onlangs hebben uitgelaten voor verhoging van het internationale budget voor ontwikkelingshulp. Hij wil maar zeggen: haast iedereen is bij ontwikkelingssamenwerking betrokken en haast iedereen pretendeert er verstand van te hebben.
Discussies over ontwikkelingshulp zijn per definitie emotioneel, omdat ze niet alleen over de ontvangers van hulp maar ook over de hulpgevers zelf gaan – vooral Polman laat dat aan de hand van de recent sterk opgekomen kleine particuliere initiatieven, de  ‘doe-het-zelfhulp’ mooi zien. Terwijl de Oxfams en Cordaids zich een ons evalueren om alle criticasters buiten de deur te houden, blijven hun onderzoeken beperkt tot de bijdrage die hun hulp in arme landen geeft, terwijl veel ontwikkelingshulp er ook is voor de gemoedsrust van de gevende partij. Ook Polman komt niet met een panklare oplossing voor de problemen bij de noodhulp. Ze dekt zich handig in door in een nawoord uit te leggen dat van journalisten ook niet verwacht wordt dat ze met een oplossing voor de oorlog in Irak kunnen komen, dus waarom wel bij dit ingewikkelde thema? Ze roept organisaties als het Rode Kruis en AZG op om duidelijker verantwoording af te leggen. En net als de vele auteurs in de nieuwe bundel van Easterly vindt ze dat de verschillende organisaties beter zouden moeten samenwerken en de concurrentie op de ‘charimarkt’ zouden moeten laten voor wat die is.

Maar of dat enige zoden aan de dijk zet is de vraag. ‘De kwellingen van zoveel mogelijk arme stakkers verlichten, is nu eenmaal een diepmenselijk verlangen’, zei Henri Dunant al. We willen helpen, of de hulp helpt of niet.



Copyright NRC Handelsblad BV