Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
De warmte van het zelfbedrog
 

De warmte van het zelfbedrog

M. Boog
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 19,90
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
ISBN/EAN 9789059360112
Hoogte (in mm): 207
Dikte (in mm): 21
Breedte (in mm): 133
Gewicht in (in gram): 314
Taal: Nederlands
Bindwijze: Hardback
Genre: Literaire roman, novelle
Aantal pagina's: 175
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20021031
Auteur: M. Boog
Print dit artikel
13-12-2002 - Arjen Fortuin

En naar beide boeken werd met spanning uitgekeken. Vorig jaar won Boog de C. Buddingh`-prijs voor zijn debuutbundel Alsof er iets gebeurt en werd hij veelvuldig geprezen voor zijn korte roman De vuistslag, een monoloog van een man die zomaar op straat zegt te zijn neergeslagen en waarin geleidelijk duidelijk wordt dat die klap niet helemaal uit de lucht kwam vallen.

Eerst maar de roman gelezen. Achteraf gezien wellicht geen gelukkige keuze, maar zoals de naamloze ikfiguur van De warmte van het zelfbedrog zegt: `Wat ervan komt, dat komt ervan. Voor herstelwerkzaamheden was de tweede helft van mijn leven beschikbaar.` Deze held van Boog heeft dan ook een daad gesteld: hij is op een zomerdag `in verwarde toestand` met een gevulde portemonnee van huis vertrokken om in een willekeurig dorp in het binnenland de `Andere Vrouw` te vinden. Het dorp is een dorp als duizenden andere: met een kerk (waar hij naast slaapt, tussen de `kleine knaagdieren` en geleidelijk aan vervuilend), een bordeel, een café, en drie gekken op het plein. En met een bierfeest, al heeft de hoofdpersoon geen institutionalisering van zijn alcoholgebruik nodig. Dagelijks giet hij zich vol bier, terwijl de televisie het politiebericht van zijn vermissing herhaalt. In een restauranthoudster meent hij de Andere Vrouw te herkennen, maar zij geeft geen sjoege. De rest van het dorp ook niet, wat pijnlijk duidelijk wordt als hij vergeefs tracht zich te laten inschrijven op het gemeentehuis. Uiteindelijk klimt hij na vijf dagen achterop de vuilniswagen die de resten van het bierfeest afvoert: terug naar huis.

Hoewel er meer actie in De warmte van het zelfbedrog zit dan in De vuistslag (waarvan de held zijn ziekenhuisbed nauwelijks kon verlaten) wordt ook de tweede roman van Mark Boog gedragen door de gedachtespinsels en opmerkingen van de hoofdpersoon. Dat zijn de in `verwarde toestand` wel vaker bij mensen voorkomende observaties met een hang naar algemeenheid, zoals: `Zelfmoordaanvallen zijn goed te verdedigen als ze met de dader de twijfel ombrengen. Hoewel het beter is als slechts de twijfel omkomt. Dan heeft men er tenminste nog profijt van.` Of: `Kennismaking is een ingewikkelde en vervelende bezigheid, die al te gemakkelijk mislukt.`

Dat laatste geldt zeker voor zijn toenaderingen tot de dorpsgenoten, die leiden tot droogkomische observaties als de volgende over de plaatselijke barkeeper: `Het was steeds een genot om hem een volledige zin te horen zeggen, maar dat het telkens dezelfde was, was jammer.` Aan sociale conventies houdt de held zich in zijn opmerkingen niet, en de grote hoeveelheid knipogen en grimassen die zijn woorden vergezellen maken de schroom van de autochtonen begrijpelijk.

Reve-boeken

Boog kan de 176 pagina`s van De warmte van het zelfbedrog eenvoudig en onderhoudend volpraten – met af en toe schijnbaar uit een gedicht gevallen tussenzinnetjes als `de nacht was maan- en wolkeloos en wilde dat weten` – maar zeker in het eerste deel van het boek wil het allemaal niet echt tot je doordringen. De verteller babbelt wel erg vlotjes door, de grapjes zijn soms flauw en de observaties uitgesponnen. Dan schrijft hij: `Men heeft de theorie, en de theorie is schoon en prachtig, maar soms weet men niet waar men zijn jas moet laten ...`. Goeie zin, maar hij emmert nog een eind door: `... en trekt men hem maar aan ondanks dat het veel te warm is om een jas te dragen.` Waarna nog een uitweiding over een rugzak volgt. Op dergelijke momenten rust Gods zegen niet op wat de hoofdpersoon zelf ergens `gezwam` noemt, en zou je bijna wensen dat iemand hem vroeger zijn Reve-boeken had afgepakt. De souplesse en de onmatigheid waarmee zijn zinnen tot ons komen, wekken de indruk dat de schrijver het eigenlijk niet serieus meent, dat hij het allemaal wel best vindt, dat zijn talent hem gemakzuchtig maakt.

Dan is het tijd om de dichtbundel te lezen.

En dan blijkt dat dat éérst had gemoeten. De gedichten gaan eigenlijk aan de roman vooraf: in veel gedichten zien we een ikfiguur met een kalm en huiselijk leven dat mooi op orde lijkt, maar dat desondanks bedreigd wordt, zoals in het hiernaast afgedrukte gedicht `Ergens`. De najaarszon schijnt, akkoord, maar op een sloopkogel. Daar kun je bang van worden, misschien zelfs op zoek willen naar de `Andere Vrouw`, maar het blijkt nog veel erger te kunnen. De bedreiging komt niet alleen van buiten, maar ook van binnen, zoals de beginregels van `Wij zijn het oneens` laten zien. `Wij zijn het oneens,/ maar niet over belangrijke zaken,/ want die zijn er niet/ We blijven glimlachend om elkaar heen draaien.` Niet de eindigheid van het geluk is het grote gevaar, maar het voortkabbelende geluk zelf, oftewel: `Voor spijt is het te laat, voor opgeven te vroeg.`

Veel meer dan in Alsof er iets gebeurt, waarin een verraderlijke huiselijke sfeer de lezer in slaap kan sussen, is in de gedichten uit Zo helder zagen wij het zelden de paniek voelbaar. In `Speels gemak` staat dan wel: `Met steeds speelser gemak/ sla ik de aanvallen af/ op mijn zwaarbevochten onverschilligheid`, maar juist de schijnbaar ontspannen formulering maakt de dreiging van het einde extra sterk: `Je brengt wijn en jezelf: mijn laatste zwakheden./ Ik zal mij verzadigen tot herhaling ongewenst wordt,/ en het vuil nog eenmaal van mijn harde handen spoelen`. De echo van `Het Huwelijk` van Willem Elsschot (`Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen`) is luid en duidelijk.

Boog gebruikt graag grote woorden, maar houdt steeds een alledaagse toon vast, wat de angst dat alles ineens toch zal worden afgebroken, alleen maar invoelbaarder maakt: `Of het gebeurt niet, en de dreiging neemt de plaats in/ van de gebeurtenis. Veel beter/ zou dat zijn, en het mooiste is: zo is het.` Of dat zo mooi is voor degene die in deze regels aan het woord is, is maar de vraag. Want hoe wend je een dreiging zonder gebeurtenis af?

Onbeweeglijk

De gedichten in Zo helder zagen wij het zelden geven het beeld van een statisch leven, onbeweeglijk maar niet rustgevend, dat je onvermijdelijk doet denken aan De warmte van het zelfbedrog, of althans aan het leven dat de held deed besluiten de `Andere vrouw` te zoeken. In het gedicht `Wij zijn het oneens` waarschuwt iemand zijn geliefde `... Ik knijp er als een muis tussenuit/ zodra men mij het veld wijst, ik zal je teleurstellen nog.`

Met dat in gedachten krijgt zeker het slot van De warmte van het zelfbedrog een extra lading. Niet alleen de vlucht van de held en de band die hij zoekt met de dorpsbewoners zijn vormen van zelfbedrog, hij is ook juist voor zelfbedrog op de vlucht. In een van de laatste hoofdstukken staat de held op het gemeentehuis, vragend om de papieren die hem deel van de gemeenschap zullen maken – en die hij om redenen van regelgeving niet krijgt. `Laat mij mij invullen!` roept hij in een mengsel van zenuwachtige opgewektheid en wanhoop. Het mag niet baten, waarmee hem de laatste kans op een bevrijdende daad wordt ontnomen. Zoals de laatste regels van Zo helder zagen wij het zelden luiden: `Men ontlast zich niet werkelijk en men draagt/ aan de onvolkomenheid zijn eigen lichaam en geest bij.// Tevergeefs, natuurlijk.`

Die dreiging en uitzichtloosheid hadden in de roman wel wat nadrukkelijker aanwezig mogen zijn, zodat die ook zonder de steun van de dichtbundel wat dwingender was geworden. Maar samen, als tweeluik, zijn De warmte van het zelfbedrog en Zo helder zagen wij het zelden niet mis.

Ergens

Ergens, een dezer dagen, is opgestaan in een misschien ver land

de stoomwalsbestuurder die op zoek is nu

naar de stoomwals in de hoek van deze kamer,

en al langer is de sloper wakker,

al hangt aan een zware, ijzeren ketting voor ons raam

de sloopkogel nog stil, te glanzen in de nazomerzon.

Uit alle windstreken trekken op de werklui,

als was hier een feest, een volkstelling, een jaarmarkt,

laten sporen van gedaan werk, van opgeknapte karweitjes na.

Die heilige stilte, met erin,

de stilte ontvouwend tot op haar grootst,

de dunne vogels, en dat magere licht, trillend van ouderdom

Uit Mark Boog: Zo helder zagen wij het zelden



Copyright NRC Handelsblad BV