13-6-2003 - ARJEN FORTUIN
Over dat laatste kan getwist worden, maar het tekent Mortiers ambivalente houding ten opzichte van non-fictie: `Ik ben geen liefhebber van essays`, schrijft hij. `In het essayistische schuilt naar mijn smaak een ironie die ik doorgaans ongepast vind in onze tijd, maar waar ik even vaak niet buiten kan.` Dat lees je niet vaak in een essaybundel, echt verrassend is het niet aan het slot van Pleidooi voor de zonde. Want waar Mortier zich met Marcel in 1999 bliksemsnel een vooraanstaande plaats verwierf in de Nederlandstalige fictie, en terwijl zijn poëziedebuut Vergeten licht werd bekroond met de C. Buddingh`-prijs, schuilt er geen groot essayist in hem. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het overwicht dat de stijl heeft op de ideeën, wat voor essasyistiek een groter bezwaar is dan voor fictie.
Het boek bestaat grotendeels uit artikelen die sinds zijn doorbraak in 1999 verschenen in de Vlaamse krant De Morgen. Veel stukken zijn lange en feitelijke lappen tekst waar niets nieuws in staat, zoals het stuk over `Sophie Rhys-Jones en haar rolmodellen in het Huis van Windsor`, een plichtmatige opsomming van koninklijke Britse feitjes waarvan de uitsmijter voor zich spreekt: `Een vorstenhuis dat de media niet bespeelt, wordt er zelf de speelbal van.` Monarchie en de katholieke kerk zijn favoriete onderwerpen van Mortier, maar behalve een enkele mooie haal naar de plaatsbekleders van de heer op aarde (`Een groot christen was ik geworden, had ik in plaats van kurkdroge, alreeds half beschimmelde of knijpgrage prelaten herders meegemaakt die me onverschrokken hadden ingewijd in de verbloemende geslachtelijkheid van het geloof`) valt er niet veel aan te beleven. Aardig zijn de ironische `toespraken` voor het Belgisch prinselijk paar en voor Gerard Reve, maar al met al bevat Pleidooi voor de zonde veel te weinig om de bundeling van deze krantenstukken te rechtvaardigen.
Copyright NRC Handelsblad BV