15-4-2005 - ARJEN FORTUIN
Even weinig voorspoedig verloopt de vlucht van Femke Delft, Mannes` vrouw. Zij is na de ruzie vertrokken naar het huis van haar beste vriendin, maar vraagt zich al snel af of ze niet beter een hotelletje had kunnen boeken, ver weg van de betweterige zorgzaamheid waarmee de vriendin (`Ik heb het je toch gezegd? Van tevoren al?`) haar overlaadt. Beide echtelieden zullen het grootste deel van het lange weekend dat de actie in De helft van liefde omvat, doelloos zwerven door de kleine stad waarin ze wonen, soms een gesprek aanknopend met een bekende of een onbekende. Tweemaal treffen ze elkaar om `te praten`. Die gesprekken mislukken.
Veel in De helft van liefde wijst erop dat Mannes en Femke gemaakt zijn om elkaars man en vrouw te worden: de titel, hun namen en hun beroepen (zij is schilderes, hij lijstenmaker). En nadenkend over de liefde klampen ze zich vast aan dezelfde herinnering, die hun ook nog naar hetzelfde hotel leidt. Mannes en Femke hebben nog iets gemeen: hun dochter Julia. Die is, vijf jaar jong, bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Zulks meldt teminste, zonder voorbehoud, de flaptekst van de roman. Binnenin zijn de zaken minder duidelijk. De eerste keer dat Femke haar gedachten over haar dode dochter laat gaan, staat er: `De onvermijdelijke gedachte aan Julia deed even een schok door haar vermoeide lichaam gaan. ... Wat niet is, dat is niet, dacht ze. Zo zou het althans moeten zijn. Wat nooit is geweest, zou geen gewicht in de schaal mogen leggen.`
Wat niet is geweest, inderdaad – want veel in de roman wijst erop dat Julia een door Mannes verzonnen kind was, vanaf de avond waarop hij thuis kwam met bloemen, champagne en een pot augurken en zijn vrouw vertelde dat ze zwanger was. Er volgde een heel peuter- en kleuterleven met kinderziektes, kleine ongelukjes en dan een groot ongeluk dat haar het leven kost. Dan blijkt dat niet alleen, wat je je kunt voorstellen, de dood van een kind een relatie om zeep kan helpen – maar ook het einde van een kind dat nooit bestaan heeft.
Het probleem tussen Femke en Mannes is niet gebrek aan liefde, het probleem is dat hun liefde ze zo ver van de realiteit heeft weggevoerd, dat ze ook elkaar niet meer kunnen terugvinden. Het zelfbedrog heeft hen volledig in de greep gekregen, de weg terug is afgesneden – en daarmee de weg terug naar de liefde.
Dat is een voor Mark Boog relatief heldere moraal. In zijn eerdere twee romans, vooral in De warmte van het zelfbedrog, kreeg je nog wel eens de indruk dat het schrijven hem al te makkelijk afging, tragikomisch doorbabbelend met regelmatig een kwinkslag of een schijnbaar uit een van zijn gedichten weggelopen zin (in 2001 won Boog de Buddingh`-prijs voor Alsof er iets gebeurt). Het zag er allemaal zo gemakkelijk en vlot uit, dat je de indruk zou kunnen krijgen dat het de auteur nergens om ging. Wie onder de oppervlakte wilde kijken, moest zijn gedichten lezen.
In zijn nieuwe boek is de vorm ondergeschikt aan de inhoud. Boog verliest zich nog maar zelden in oeverloze uitweidingen. Daar staat tegenover dat ook het aantal zinnen dat je bijblijft, is teruggelopen. Helemaal weg zijn ze niet, zoals blijkt uit de volgende: `De aanwezigheid van de verwarde hotelgast werd bespot door de vanzelfsprekendheid waarmee de gordijnen op een kier hingen.` Of neem deze: `Femke gromde zacht, als een gekooid roofdier zonder directe ontsnappingsplannen.`
Op een paar plaatsen laat Boog het thema van het boek – de verbeelding die de realiteit de pas afsnijdt – toch doordringen in de vorm. Want niet alleen het bestaan en het lot van dochter Julia is onduidelijk, ook het verhaal zelf lijkt zich af en toe tegen te spreken. Hoe verloopt de vlucht van Mannes? Hij lijkt wég te gaan maar na het treinongeluk wordt hij naar zijn eigen woonplaats gebracht. Zat hij dus in de trein naar huis? En waar vond de ruzie plaats? In een restaurant, zoals hij eerst beweert, of thuis (er is sprake van een broodmes)? Evenzo kan Femke bij toverslag van kleding wisselen. Mannes ziet haar binnenkomen in een blauwe jurk, een paar minuten verder veegt ze iets van haar broek. Dat is te veel onduidelijkheid om toevallig te zijn. Boog zal het bedoeld hebben om de lezer deelgenoot te maken van de verwarring tussen feit en fictie waar zijn hoofdpersonen aan lijden. Maar het werkt niet echt. Het resultaat is rommelig. Rommeligheid met een reden, maar toch rommeligheid.
De helft van liefde is dus een wisselvallige roman. Het best op dreef is Boog in de twee scènes waarin Mannes en Femke proberen alsnog tot elkaar door te dringen, wat niet lukt omdat het met Mannes even moeilijk praten als ruziemaken is. Deze twee mensen zullen er niet samen uitkomen, zoveel staat vast. En die realiteit zullen ze met grote volharding blijven bestrijden. Waarmee hun missie prompt veel weg heeft van die van de schrijver Mark Boog. Want hoe hopeloos de strijd tegen de werkelijkheid ook is, die strijd moet wel gestreden worden.
Copyright NRC Handelsblad BV