9-12-2008 - Onbekend
Er is geen leven na de dood. Je ziel verdwijnt bij je dood. God bestaat niet. De wereld bestaat uit atomen. Geloven en bidden hebben geen zin, we moeten door redeneren en proeven nemen achter de geheimen van de wereld zien te komen.
Dat zijn de overtuigingen die ik altijd bezat. Ik had het geluk om geen gelovige ouders te hebben. Ze wilden dat ik humanist werd, maar dat deed ik niet. Een voorzitter van het Humanistisch Verbond heeft laatst gezegd dat hij geloofde in de idiote theorie dat Jezus Christus en Julius Caesar een en dezelfde persoon waren. Van zo`n club word ik geen lid.
Lucretius, een Romeinse dichter uit de eerste eeuw voor Christus, had het geluk de gedachten van de Griekse filosoof Epicurus, die een paar eeuwen eerder leefde, te kennen. Lucretius deed iets heel geks: Hij schreef de rationele, ongodsdienstige theorie van Epicurus op in een homerisch gedicht van 7.560 regels. Vergilius deed iets dergelijks in de Georgica, maar verder hoef je dichters nooit serieus te nemen.
Descartes en Pascal, en later Russell en Wittgenstein konden ook goed schrijven, maar het bleef proza.
Wij hoeven Lucretius niet te lezen om zijn verklaringen van bliksems, vulkanen of maansverduisteringen. Die verklaringen zijn ook niet altijd juist. Aan het eind van het eerste deel legt hij nog even uit dat wij mensen geen tegenvoeters hebben, dus mensen aan de andere kant van de aarde die eruit zien als onze spiegelbeelden als we met onze voeten in het water staan.
Ik herhaal zijn redenering hier niet, maar u begrijpt dat die niet geldig kan zijn, ook al was u nooit in Australië. Hij noemt de aanhangers van de tegenvoeters: stommeriken. Briljant! Wij mensen zijn inderdaad stommeriken, maar we moeten ons best doen om toch achter de geheimen van de wereld te komen. Struikelen over onze tegenvoeters is daarbij niet onvergefelijk.
De antieke wereld had zoveel goden en halfgoden dat ik heel lang niet geloofde dat de antieken echt in hen geloofden. Ik dacht dat zij tegen figuren als Zeus of Heracles net zo aankeken als wij tegen Heer Bommel of Don Quichot. Maar de kwade reacties van de gelovigen bewijzen het tegendeel.
Lucretius neemt op zijn beurt Homerus serieus als hij in zijn aanval op de godsdienst vertelt hoe Agamemnon zijn dochter vermoordde om van God een gunstige wind te krijgen, zodat hij naar Troje kon zeilen. Ik moet daarbij denken aan de twee geestige regels van Dèr Mouw –
Waar steden zijn, liet Hij rivieren vloeien;
het zonlicht spaarde Hij uit, als wij toch slapen. – waarmee de dichter de hoofdletter H van Hem belachelijk maakte.
Het Latijnse woord religio werd in vroegere uitgaven van De natuur der dingen vaak vertaald met ‘bijgeloof’. Schrijvers vertaalt het zeer juist met ‘godsdienst’. Alleen een gelovige kan het hebben over bijgeloof.
Opvallend is dat Lucretius niet het Griekse woord atomos (ondeelbaar) gebruikt, maar het heeft over ‘kleinste deeltjes’. Hij laat zien hoe alles, tot licht aan toe, uit atomen bestaat. Tegenwoordig hebben natuurkundigen het naast atomen, die natuurlijk al een eeuw splijtbaar zijn, ook over golven. Is licht een stroom van deeltjes, of is het een golf? Vincent Icke schreef daarover in The Force of Symmetry (1995) dat die twee manieren van licht zien niet conflicterend zijn, maar afhangen van de manier waarop wij licht observeren. Dat vermoedde Lucretius ook. Maar natuurkundigen hebben er lang ruzie over gemaakt.
In de eerste eeuw voor Christus bestond de natuurkunde naar onze opvatting niet. Ze hadden wel theorieën, maar deden geen proeven. Archimedes en Aristoteles konden niet eens getallen met cijfers opschrijven!
Lucretius vergelijkt zijn atomen vaak met letters. Inderdaad is natuurkunde een vak van letters, woorden, zinnen. Schrijvers proberen vaak de dichterlijke woordspelingen te vertalen. Ik ben er niet zeker van dat het altijd echte woordspelingen waren. Grieken waren er vaak van overtuigd dat Grieks de enige echte taal was en de rest maar stom gebrabbel. Natuurlijk wist Lucretius heel goed dat er naast Latijn nog een echte taal bestaat – het Grieks van Homeros en Epikouros. Hij gaf de ideeën van Epicurus weer in de versvorm van Homerus.
Er is zelfs een passage, over het interieur van een paleis, die mij direct aan koning Alkinoös uit de Odyssee deed denken, omdat wij die bladzij voor straf uit het hoofd moesten leren als we te laat op school kwamen. Maar dat Lucretius in hout (lignis) vuur (ignis) ziet, lijkt mij toch meer dan een lettergrap. Tot kort geleden dacht men dat in hout vuur zat dat daar uit kon komen. Schrijvers gebruikt voor dit woordspel de woorden vlam en stam, maar in het Nederlandse woord vurenhout zit ook al het misverstand over brandhout.
De woordtovenaar leeft nog steeds, twintig eeuwen na zijn dood. Zijn dood was geen zelfmoord, zoals Cees Nooteboom eens schreef. Dat had Cees van Hiëronymus, die de godverzaker in een verzonnen en haatvolle biografie een giftige liefdesdrank liet drinken. Wij weten niet hoe de dichter – nog voor hij zijn meesterwerk voltooid had – overleed.
Lucretius is de profeet van de moderne wetenschap. Zijn boodschap blijft geldig en wij mogen elke eeuw weer blij zijn met een nieuwe vertaling van zijn geweldige verzen. Zijn ziel zit in onze wetenschap. Wetenschap keert zich tegen godsdienst. Daar hebben alle wetenschappers en alle godsdienstigen groot gelijk in.
Copyright NRC Handelsblad BV