29-10-2010 - Arnold Heumakers
Zijn motor liep op gevoel en branie
Michaël Zeeman (1958-2009) was journalist, criticus, maar vooral essayist
biografie
De mythe won het altijd bij de vorig jaar overleden Michaël Zeeman. Arnold Heumakers las de bloemlezing uit zijn essays: wie of wat was Zeeman?
Het begint in krantenland bijna een gewoonte te worden: het de hemel in prijzen van medewerkers die in het harnas zijn gestorven. In televisieland was het dat al lang. Het is vast geen toeval dat juist voor Volkskrant-medewerkers Martin Bril en Michaël Zeeman, beiden ook bekend van de tv, alle registers werden opengetrokken toen ze vorig jaar op betrekkelijk jonge leeftijd overleden. Onwillekeurig kreeg je het idee dat de grootste schrijver van Nederland, respectievelijk de grootste cultuurdrager, ons was ontvallen. In beide gevallen lijkt me sprake van enige overdrijving. Bril was een verdienstelijk columnist en Zeeman – ja, wie of wat was Michaël Zeeman? Dat laat zich niet zo makkelijk bepalen.
Daarom is het goed dat nu een ruime selectie van zijn essays en kritieken is verschenen, onder de ietwat theatrale, maar goed bij Zeeman passende titel Aan mijn voormalig vaderland. Zelf was hij er nooit aan toegekomen; nu hebben zijn vrienden Maarten Asscher, Maarten Doorman en Willem Otterspeer het voor hem gedaan. De laatste schreef als inleiding een uitvoerige biografische schets, waarin mij vooral dit zinnetje opviel: ‘Hoezeer Michaël ook verknocht was aan de waarheid, de mythe won het altijd’.
Het valt inderdaad niet mee in de wereld van Michaël Zeeman feit en fictie te ontwarren. Hoewel ik Zeeman een tijd lang van nabij heb meegemaakt, zal ik hier geen eigen poging wagen en mij beperken tot zijn werk, waarvan de nu verschenen bundel een representatieve indruk geeft. De samenstellers hebben gekozen voor ‘Michaël Zeeman als cultuurcriticus en essayist’. Dat lijkt me terecht; als we even afzien van zijn beide dichtbundels en zijn ene verhalenbundel, ligt daar het zwaartepunt van zijn ontzagwekkende productie.
Complimentje
In de eerste plaats was Zeeman een essayist, ook in het merendeel van zijn journalistieke werk. Wanneer hij J.M. Coetzee prijst om diens ‘essayistische boekbesprekingen’ geeft hij impliciet ook zichzelf een complimentje, al gebeurt dat dan in de vorm van een klacht over het ontbreken van zulke recensies in Nederland.
Als essayistische journalist of journalistieke essayist legde Zeeman een verbluffende veelzijdigheid aan de dag. Deze bundel getuigt daarvan. Literatuur, beeldende kunst, toneel, muziek, geschiedenis, filosofie – Zeeman draait er zijn hand niet voor om. Om met het slechte nieuws te beginnen: het minst geslaagd vind ik zijn stukken over filosofie. Zeeman studeerde het ooit in Groningen, maar verder dan de analytische ‘taalfilosofie’ lijkt hij niet te hebben gekeken. Met als gevolg een kennelijk onoverwinnelijke geborneerdheid zodra andere denkrichtingen in beeld komen, zoals de ‘huichelachtige negentiende-eeuwse Duitse dialectiek’ of de ‘volstrekt vrijblijvende esthetica van het postmodernisme’. Geborneerd zijn zulke kwalificaties, omdat uit niets blijkt dat Zeeman zich ooit serieus in het Duitse idealisme of het Franse postmodernisme heeft verdiept. Over de recensie waarin hij Aristoteles’ Ethica Nicomachea in een baldadige bui zo ongeveer tot de papierversnipperaar veroordeelt, zal ik nu maar het stilzwijgen bewaren. Uit piëteit, maar ook omdat iemand het verdient op zijn beste prestaties te worden beoordeeld.
Die zijn er genoeg in Aan mijn voormalig vaderland, en ze zitten vooral in de literaire hoek. Zeeman is meestal een geïnspireerde en inspirerende boekbespreker, iemand met de avontuurlijke grote greep van – precies – een essayist. Vooral wanneer hij bewondert, stijgt hij tot grote hoogte, zoals in een voorbeeldig stuk over een brievenboek van de Amerikaanse dichteres Elisabeth Bishop. Minstens zo goed is zijn bespreking van een biografie over Virginia Woolf. In het ene geval pakt zijn sensibele geestdrift zo stimulerend uit dat je meteen zin krijgt het besproken boek zelf te gaan lezen, in het andere geval weeft hij door zijn recensie een eigen beschouwing over het biografische genre, waarin óók de ideeën ter zake van Virginia Woolf worden meegenomen. Dat is knap, te meer daar het betoog in al zijn complexiteit geen moment wringt of gekunsteld aandoet.
Ook over literaire helden als Bruno Schulz, Philip Roth, Aleksandar Tisma en anderen heeft hij schitterende recensies/essays geschreven. Bewondering leidt bij Zeeman tot empathie, en dat komt de interpretatie ten goede. Je ziet het dan ook meteen als het innerlijk rapport ontbreekt, zoals in het stuk over Stendhals Chartreuse de Parme – vertaler Theo Kars krijgt alle lof die hij verdient, maar Stendhals roman (waarvan het verhaal volgens Zeeman ‘ronduit bespottelijk’ zou zijn) ontglipt hem.
Eruditie
Zoiets wijst op het kapitale belang van het humeur of ook wel: de emotionaliteit, waarmee Zeeman zijn stukken moet hebben geschreven. Hij had veel gelezen en liet zelden na daar terloops de aandacht op te vestigen, maar niet eruditie was zijn voornaamste brandstof, dat was gevoel, inclusief branie en wispelturigheid. Voor een criticus kan dat lastig zijn, een essayist kan er ook zijn voordeel mee doen. Hij hoeft niet te schrijven als een geleerde die alles honderd keer wikt en weegt; zijn werkwijze heeft meer van een improvisatie. En Zeeman kon meesterlijk improviseren. Vooral in zijn stukken over beeldende kunst, meestal geschreven naar aanleiding van tentoonstellingen, merk je dat goed. Je ziet hem als het ware van het ene schilderij naar het andere snellen en onderweg valt hem van alles in, dat uiteindelijk ook nog een rode draad blijkt te vormen. Op zulke momenten komen zijn talenten volledig tot hun recht: zijn royaal gevulde geheugen, zijn scherpe verstand en zijn fabelachtig retorisch vermogen. Het kan haast niet anders of in dit laatste bruiste het vaderlijke bloed bij deze domineeszoon uit Marken. In de ronkende volzinnen (want zijn grote greep gaatgepaard met grote verbale gebaren) en in de apodictische toon laat het zich herkennen, ook al kwamen idiomatische dissonanten als ‘amehoela’ of ‘verhapstukken’ in de preken van zijn vader niet zijn voor.
Uit zijn jeugd is, als ik mij niet vergis, ook de kern van zijn cultuurkritische visie afkomstig. De literaire cultuur die hij verdedigt, en daarin vooral de onmisbare traditie en hiërarchie, moet het medium zijn geweest dat hem in staat heeft gesteld de rechtlijnige benepenheid van het calvinisme achter zich te laten; het enige wat hij vasthield, was de cultus van het Woord en het geloof zo hogerop te komen. Daarbij moeten modieuze marxisten, postmoderne relativisten en op zeker moment zelfs alle babyboomers het ontgelden. Vreemd blijft alleen het karikaturale en tegelijk uiterst vage beeld dat van de tegenstander wordt geschetst, zodat je je afvraagt wie hij nu echt op het oog had: zijn docenten van weleer of toch de collega’s op de krant met wie hij het aan de stok had gekregen.
Ondanks zijn soms opzichtige traditionalisme was Zeeman geen vijand van culturele verandering. Een levende traditie moet zich steeds weer vernieuwen, zal hij met T.S. Eliot eens zijn geweest. Aandoenlijk is zijn nood in India, waar hij in 1999 heen was gereisd om de Europese wereld eens ‘van de buitenkant’ te bekijken. In den vreemde wordt hij zich pas goed bewust van zijn verknochtheid aan dit oude continent Europa en van de unieke waarde van haar beschaving. In het stuk dat hij erover schreef klinkt het bijna als een ontdekking, in elk geval als een besluit – voor zijn vaste lezers kan het een noch het ander een verrassing zijn geweest.
Copyright NRC Handelsblad BV