23-9-2011 - Liesbeth Beneder
‘Ik ben een kunstenaar en bedenk snel zelf dingen. Daarom raak ik al gauw de draad kwijt zodra ik fictie lees. Dan moet ik als het ware mijn eigen beelden opzij zetten. Eigenlijk lees ik om die reden alleen maar non-fictie of documentaire-achtige boeken. Ik vind het prettig als dingen zakelijk opgeschreven worden.
Een half jaar geleden kreeg ik de roman Ademschommel van Herta Müller cadeau. Die heb ik in één keer uitgelezen. Dit boek begreep ik helemaal. Het is heel visueel geschreven, ik kon het helemaal voor me zien. Belangrijk, want voor mij gaat communicatie in de eerste plaats via het oog en niet via het woord. Müllers taalgebruik zou je poëtisch kunnen noemen. Zo heeft ze het bijvoorbeeld nooit gewoon over kolen, maar schrijft ze: ‘De natsjalnik noemt de gaskool bijna fluisterend hasowee. Dat klinkt als een gewonde haas.’
In Oost-Europa woonden aan het begin van de vorige eeuw veel Duitsers. Zij leefden daar in afzondering geheel volgens de eigen Duitse cultuur. Müller woonde zo als Duitse in Roemenië. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stond het land aan de kant van de Duitsers. Toen het land na de oorlog door de Sovjet-Unie werd bezet waren de Duitsers natuurlijk de ‘fouteriken’. Zij werden naar werkkampen gestuurd om de Sovjet-Unie weer op te bouwen.
Müllers roman beschrijft de strijd om in zo’n kamp te overleven. Het wachten, de honger, de lust en het verlangen naar zekerheid. Het gaat over hele primitieve behoeften. Er zit niet echt een lineair verhaal in, haar beschrijvingen springen in zekere zin van de hak op de tak. Misschien maakt dit de roman voor sommige mensen te abstract. Voor mij niet, integendeel. Ik vond het haast jammer dat er nog altijd iets als een verhaal in zat, daar ging het mij niet om. Ik weet nu bijvoorbeeld ook niet meer hoe dat boek afliep. Het ging mij dus puur om de beelden die de roman bij me opriep, en die zijn heel krachtig.
Ademschommel sluit goed aan op mijn eigen thema’s: extreme rationaliteit, vrijheid en de beperking daarvan en dictatoriale systemen. Concentratiekampen zou je mijn specialiteit kunnen noemen, zie mijn project Slave City (2006). Hoe kan het dat normale mensen in Oost-Europa, schoolmeesters of postbodes, vrijwillig in de bossen Joden dood konden schieten? In extreme situaties wordt iedereen een beetje slecht. Er komen plotseling heel andere mechanismen naar boven. Een mens kan opeens alles doen om een stukje brood te krijgen. Dit gevoel van honger beschrijft Müller heel mooi. Er is een hongerengel die altijd bij je woont. Deze persoon zegt: ‘ik heb honger, ik wil eten’. Hij helpt je en hij kwelt je. Je moet constant met hem in dialoog en soms moet je hem zelfs voor de gek houden wanneer er geen eten is.
Er wordt ook veel aandacht besteed aan lust en sex. Halverwege de roman vroeg ik me opeens af of de hoofdpersoon nu een man of een vrouw is. Dit werd mij niet duidelijk. Ik was er in eerste instantie vanuit gegaan dat het om een vrouw ging, simpelweg omdat het door een vrouw is geschreven. Maar uit interviews met Müller begreep ik dat het boek niet geschreven had kunnen worden zonder gesprekken met een man die in zo’n kamp heeft gezeten. Daarom heeft het boek veel weg van een documentaire. Misschien is dat ook een reden waarom deze roman mij zo aansprak.’
Copyright NRC Handelsblad BV