24-12-2010 - Coen van Zwol
Het is misschien wat vroeg om Rahmin Bahrani nu al de „new great American director” te noemen, zoals filmcriticus Roger Ebert deed. Maar een ‘auteur’ is hij, deze 35-jarige Iraans-Amerikaanse regisseur: eigen scripts, herkenbare stijl, consistente thema’s. De dvd-box American Dream Trilogy bevat vrijwel zijn complete, want nog prille oeuvre.
Bahrani maakt films over ‘onzichtbare mensen’: nieuwe immigranten die snuffelen aan de Amerikaanse droom. Zijn verhalen zijn nooit larmoyant of theatraal, verrassen juist omdat nooit gebeurt wat je hoopt of vreest. De visuele lyriek van Bahrani, die schoonheid vindt in elektriciteitsmasten, vuilnisbakken en roest, zorgt voor een onderstroom van optimisme.
Bahrani’s Man Push Cart (2005) is nog iets teveel procedurecinema, de vloek van de huidige arthouse: verhalen vertellen via verschuivende dagroutines, zonder veel inzicht te bieden in motieven van de personages. De gewezen Pakistaanse rockster Ahmad trekt als een moderne Sisyphus zijn kar met koffie en donuts door nachtelijk New York en wijst geboden kansen af. Hoe komt hij zo passief en droef? Bahrani doet alleen suggesties, en dat frustreert.
Meer pit heeft Chop Shop (2007), over het jochie Alejandro dat zich vrolijk door het leven jat en hosselt. Tot zijn oudere zus zich bij hem voegt, al snel eigen bijverdiensten vindt en een eerwraakscenario opdoemt. Maar Bahrani’s beste film tot dusver is Goodbye Solo (2008), waarin de Senegalese taxichauffeur Solo zich ontfermt over het suïcidale oude cowboy William. De jongste incarnatie van de Amerikaanse droom, deze Solo: zorgzaam, praatgraag, bemoeizuchtig en vrolijk. Williams Weltschmerz blijft een raadsel, maar dat stoort niet omdat Solo zo’n sprankelend contrapunt vormt. Bahrani wordt met elke film beter: een filmmaker om in de gaten te houden.
Copyright NRC Handelsblad BV