18-6-2010 - Ewoud Kieft
Moeder zoekt iets echts in haar leven
‘Arty-farty’: de titel van het debuut van Emily Gordts wekt de verwachting van een snel, flitsend verhaal over de glamourwereld van hippe kunstgaleries, strak ingerichte villa’s en strak geklede tussenhandelaren die exorbitante bedragen weten los te peuteren van vastgoedjongens die toch niet weten wat ze met hun geld aanmoeten. En dat is ook precies wat er in het openingshoofdstuk gebeurt. Hoofdpersoon Jean Pierre Puts werkt voor een gerespecteerde kunstadviseur en struint galeries en feestjes af om rijke verzamelaars in te palmen. Van kunst weet hij niets, wel van mode en statussymbolen. Maar al in het tweede hoofdstuk blijkt dat de kunstwereld eigenlijk maar een kleine rol speelt. In wezen is Gordts’ debuut een hele klassieke familiegeschiedenis, over ouders die volstrekt verschillend in het leven staan en een zoon die tussen die twee tegenpolen heen en weer wordt geslingerd. Uiteindelijk draait het allemaal om authenticiteit. Vader geeft meer om status en geld, moeder zoekt iets ‘echts’ in haar leven. De verwende Jean-Pierre lijkt aanvankelijk volledig in zijn vaders leefwereld te passen, maar aan het eind van het verhaal ziet hij ineens het licht.
Gordts weet in dit plot de stereotiepen niet te vermijden: de vaderfiguur is een wel erg opzichtige vertegenwoordiger van het nietsontziende bedrijfsleven waarin men uit het oog heeft verloren waar het in het leven werkelijk om gaat. En de moeder is in haar sentimentele verheerlijking van haar volkse vriendin Annie en haar leven in een Antwerpse achterstandsbuurt ook wat te veel de vertolkster van een idee in plaats van een mens van vlees en bloed. Gordts verklaart wel waarom deze twee tegenpolen ooit bij elkaar zijn gekomen, maar dat blijft toch een beetje in het theoretische hangen. Hetzelfde geldt voor de metamorfose die Jean-Pierre aan het slot doormaakt.
Gelukkig maakt Gordts’ puntige schrijfstijl veel goed. Zo weet ze in een paar zinnen de bekoeling in de ouderlijke relatie te schetsen, vanuit het perspectief van de moederfiguur: ‘Jaap zoent haar op de rechterwang, trekt de broekspijpen boven zijn loafers een stukje op, en gaat zitten.
„Lam”, zegt ze. – „Ik zie het.” En dan, wellicht omdat het moet: „Lekker.” – Er moet zoveel. Er moet ook wijn bij.’
Leuk zijn ook de speelse wendingen die af en toe in Gordts’ proza opduiken, bijvoorbeeld deze beschrijving van een gesprek dat een murwe Jean-Pierre voert met zijn baas Olivier: ‘Ondertussen opent Olivier zijn lippen, maar hij hoort niets. De lippen gaan geluidloos op en neer. Blub blub, zegt Olivier, blubberdieblub.’
Al met al draagt Arty-farty genoeg frisheid in zich om de wat al te schematische karaktertekeningen te compenseren. Die frisheid zit ’m vooral in Gordts’ energieke en plezierige stijl, en toch ook wel in de moraal van het verhaal. Hoe oubollig die ook mag zijn – façades zijn slecht, echtheid is goed – Gordts verraadt een betrokkenheid die lang niet alle debutanten durven te laten te zien.
Copyright NRC Handelsblad BV