11-6-2010 - Elsbeth Etty
Berooid van Soerabaja naar Oss
Eveline Stoel reconstrueerde indrukwekkend de levensverhalen van een Indisch-Nederlandse familie
Arm, kleinbehuisd, vernederd en gediscrimineerd. Toch wist de Indische familie Hoyer hier moeiteloos te integreren.
De familiesaga Asta’s ogen gaat over de perikelen van een Indofamilie op het koloniale en postkoloniale Java en over de integratie van deze clan in het naoorlogse Nederland. Maar ook is het een boek over identiteitsproblemen, overspel, buitenechtelijke kinderen, incest, moord en doodslag, waarover Louis Couperus zo onnavolgbaar heeft geschreven in romans als De stille kracht en Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan.
Soms lijkt het alsof je inderdaad in zo’n roman bent beland: ‘Als oudste zus wist Hedy het meest van de familie, dus gingen ze naar haar voor uitleg. Aarzelend begon ze te vertellen. Iris was geen nichtje, maar hun halfzus. Zelf wist ze het sinds ze haar ouders er eens ruzie over hoorde maken, minstens dertig jaar geleden. […] Het lag gevoelig wisten de zusjes, dus konden ze het onderwerp beter laten rusten.”
De schrijfster gebruikte persoonlijke herinneringen en foto’s van de talrijke telgen van de familie Hoyer om het verhaal sfeer en spanning te geven, maar de Indische couleur locale, de knap verweven historische context en de onversneden ‘suspense’, vormen niet de kern van deze meeslepende geschiedenis. Hoe schitterend en effectief zij de in ijltempo veranderende maatschappelijke verhoudingen in het Indië van de eerste helft van de 20ste eeuw ook schetst, het verhaal draait uiteindelijk om de inburgering van een berooide, uitheemse familie in Nederland.
In Asta’s ogen beschrijft journaliste Eveline Stoel (1971), partner van een kleinzoon van het vrouwelijke clanhoofd Asta, hoe de Indische Hoyers met hun donkere huidskleur en exotische gewoontes geruisloos integreerden in de Nederlandse samenleving. Ze waren straatarm, kleinbehuisd, werden vernederd en gediscrimineerd, maar wisten zich te redden. Zoals de meeste Indische Nederlanders kwamen al Asta’s kinderen en kleinkinderen goed terecht. Afgezien van enkele incidenten veroorzaakte deze grote groep immigranten geen problemen. De terroristische acties van Molukse jongeren in de jaren zeventig waren politiek van aard en niet kenmerkend voor de grote en diverse groep immigranten uit de voormalige kolonie.
Op 25 maart 1955 zette de 37 jarige Indische Asta Hoyer met haar zeven kinderen en ziekelijke moeder vanaf de ss Waterman voet aan wal in Hoek van Holland. De berooide familie kwam uit Soerabaja, waar zij de Japanse bezetting en de voor Indo’s met een Nederlands paspoort levensgevaarlijke Bersiap- periode had overleefd. Asta’s echtgenoot, George Hoyer, was in het echtelijke bed vermoord door een onbekende; voor haar eigen leven en dat van haar kinderen werd gevreesd. Ze moesten tegen elke prijs weg uit hun moederland.
Repatrianten werden ze genoemd, maar het vaderland waar ze naar terugkeerden kenden ze alleen uit boeken. Asta, een trotse vrouw die in villa’s en over personeel had geheerst, werd met haar gezin door de Nederlandse overheid geplaatst in een contractpension in Oss, waar ze met hun negenen in één kamertje bivakkeerden en per dag twee broden kregen. De oudste kinderen, tieners al, konden daar niet mee toe, zodat Asta oud brood van lotgenoten met kleinere gezinnen bij elkaar moest scharrelen.
Eveline Stoels voortreffelijke reconstructie van de wederwaardigheden van dit doorsnee Indisch-Nederlandse gezin onderscheidt zich van andere succesvolle familiegeschiedenissen als Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer (2001) en Het pauperparadijs van Suzanna Jansen (2008) doordat het boek geschreven is door een relatieve buitenstaander. Gedreven door louter nieuwsgierigheid naar de Indische ‘clan’ waarin ze bij toeval verzeild raakte, dook Stoel in de levensverhalen van drie generaties, ontleedde hun Werdegang, stuitte op pijnlijke familiegeheimen en documenteerde dit alles aan de hand van relevant historisch en sociologisch onderzoek. Zelf niet gevormd door de familietrauma’s, wordt Stoel niet gehinderd door schaamte, trots of andere preoccupaties, wel won zij het vertrouwen van haar informanten die hun intiemste gevoelens met haar deelden.
In menig opzicht lijkt De ogen van Asta op Couscous op zondag (2009) waarin het PvdA-Tweede Kamerlid Khadija Arib op basis van haar eigen familiegeschiedenis de aanpassingsproblemen van Marokkaanse gastarbeiders en hun gezinnen in de Nederlandse samenleving beschrijft. Het verschil is dat Arib een politiek-ideologische boodschap uitdraagt en voorzichtig wordt als het om controversiële onderwerpen als vrouwenonderdrukking of abortus gaat.
Eveline Stoel idealiseert de schijnbaar moeiteloze integratie van de Indische Nederlanders niet. Ze onthoudt zich van ieder oordeel. Het opportunisme van het matriarchale clanhoofd Asta of het paternalisme van de benepen Nederlandse overheid krijgt geen expliciete kritiek. Van Asta, die bereid was zich aan alles en iedereen aan te passen zolang zij en haar uitdijende clan er maar beter van werden, maakt ze bepaald geen heldin. De feiten waarmee zij Asta’s kinderen confronteerde, zijn van dien aard dat geen kind ze graag van zijn ouders wil weten. Familiegeheimen als deze worden doorgaans hoogstens geopenbaard in de vorm van fictie.
Het Indië van de in 1917 geboren Asta en haar moeder kennen wij uit de romans van Louis Couperus, die zich weliswaar in een ander milieu afspelen, maar waarin loyaliteits- en identiteitsconflicten, die inherent zijn aan koloniale samenlevingen, niet onderdoen voor de problematiek van Stoels personages.
Asta en haar moeder moesten ‘hogerop’ trouwen, hun geloof aanpassen aan dat van hun echtgenoot en zich ook verder alles laten welgevallen. Ze waren grootgebracht met het idee dat een lichte huidskleur en identificatie met het Nederlandse gezag voordeel opleverden en zo voedden ze ook hun kinderen op. In de praktijk leidde dat tot likken naar boven en trappen naar beneden. Dankzij hun Aziatische uiterlijk wisten ze buiten de jappenkampen te blijven en ontsnapten ze aan de terreur van de nationalisten die daarna aan de macht kwamen. In het onafhankelijke Indonesië van ‘bandiet’ Soekarno konden zij met hun halfslachtige geschiedenis onmogelijk aarden.
In Nederland droeg de neiging tot aanpassing en het standsbewustzijn van Asta bij aan de integratie van de familie. Clanhoofd Asta had al jong geleerd dat conformisme de enige manier was om te overleven. Dus geen nostalgie, geen benadrukken van Indische eigenaardigheden, niet opvallen, geen aanstoot geven, gehoorzaam zijn.
De Indische clan van Asta was katholiek. Dat kwam goed uit toen zij en haar kinderen na een half jaar een huisje in een Osse arbeidersbuurt kregen toegewezen, waar iedereen katholiek was. Maar tegelijk spraken de repatrianten beter Nederlands dan hun buurtgenoten en hielden zij er modernere opvattingen op na dan de Brabanders in hun omgeving. Toen Asta na enige tijd zwanger werd van een getrouwde Nederlandse man, mocht ze niet meer in de kerk komen, maar de beschermende Hoyer-clan had geen moeite met het nieuwe halfzusje.
Wat ook meehielp was dat Asta haar moederland Indonesië haatte en er geen enkele behoefte aan had haar kinderen – allemaal genoemd naar westerse film- en muzieksterren – met een etnische of religieuze identiteit op te zadelen. Ze had er moeite mee als haar dochters of zoons met een Indisch vriendje of vriendinnetje kwamen aanzetten en moedigde hen aan met volbloed Nederlanders te trouwen, wat ze in de meeste gevallen ook deden.
De Hoyer-clan bleef in stand tot moeder Asta Hoyer in 2003 in een verpleeghuis in Oss in het bijzijn van al haar kinderen overleed. Daarna werd het een gewone Nederlandse familie. Wat rest van Asta’s Indische clan zijn de recepten, de kinderliedjes, de verhalen – zoals dat gaat in vrijwel alle families.
Volgens het beproefde recept van de naturalistische roman maakt Stoel haar lezers nieuwsgierig naar al haar personages. Je wilt weten hoe ze geworden zijn wie ze zijn en hoe ze zich verder ontwikkelen. Couperus toonde in zijn Indische romans een geslacht in verval, waarin aanstaande echtgenoten zonder het te weten elkaars halfbroer en -zus waren en stokoude mensen in Haagse achterkamers hun Indische levens zaten te herkauwen. In Asta’s ogen komt een vitaal milieu tot leven waarvan de leden ondanks onvoorstelbare tragedies op eigen kracht hun plek in de Nederlandse samenleving vonden. Hun verhaal is niet exemplarisch voor alle gerepatrieerde Indische Nederlanders en zeker niet voor alle immigranten. Dat is juist de kracht ervan: Eveline Stoel heeft het zo opgeschreven dat iedereen, afkomstig uit wat voor familie dan ook, er zijn eigen essentie in zal kunnen herkennen.
Copyright NRC Handelsblad BV