Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
De grote uitleg van Amsterdam
 

De grote uitleg van Amsterdam

Jaap Evert Abrahamse
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 49,50
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
Tussen 1585 en 1685 groeide Amsterdam uit van regionale havenstad tot centrum van de wereldhandel. De snel stijgende vraag naar ruimte voor havens en industrie ging gepaard met een explosieve bevolkings-groei. Dit alles leidde tot een uitzonderlijke stedenbouwkundige opgave, culminerend in twee enorme op elkaar aansluitende vergrotingen – die van 1613 en die van 1663 – waarmee de stad vijfmaal zo groot werd. Rondom de oude stad ontstond de grachtengordel als exclusief woongebied, omringd door de Jordaan en andere gemengde woon- en werkwijken, met aan de waterkant een reeks eilanden voor handel en scheepsbouw. Het resultaat was een voor die tijd hypermoderne stad volgens de drievoudige eis van nut, schoonheid en profijt, een stad die door zijn grootte, ligging en ontwerp een unieke plaats inneemt in de geschiedenis van de Europese stedenbouw.De vraag hoe het stadsbestuur erin slaagde deze immense tweeledige vergroting – of uitleg, zoals men vroeger zei – in stedenbouwkundig, infrastructureel, logistiek en financieel opzicht in goede banen te leiden, vormt het onderwerp van dit boek. Dankzij een gedegen analyse van de bestuurlijke archieven komt de auteur tot een complete reconstructie van de besluitvorming over omvang, ontwerp en aanleg van de stadsuitbreidingen. Aparte hoofdstukken behandelen de ruimtelijke ordening, de functies van de stedelijke buitenruimte en de problematiek rond het stadswater. Hiermee mag De grote uitleg van Amsterdam het eerste standaardwerk op dit gebied genoemd worden.
ISBN/EAN 9789068684919
Hoogte (in mm): 268
Dikte (in mm): 43
Breedte (in mm): 218
Bindwijze: Hardback
Genre: Regionale en stadsgeschiedenis
Aantal pagina's: 429
Gewicht in (in gram): 1852
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20100101
Auteur: Jaap Evert Abrahamse
Vertaler: Armelle Desmarchelier
Print dit artikel
30-9-2011 - Beneder, Liesbeth
Wijnand W. Mijnhardt (1950), hoogleraar Vergelijkende Wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht:

‘Nederland was in de 17de eeuw het meest geürbaniseerde land van Europa. Steden groeiden enorm, Amsterdam was decennialang één grote bouwput. Van oudsher hebben historici de Amsterdamse stedenbouw in de 17de eeuw benaderd vanuit de theorie: hoe zijn klassieke architectonische ideeën in de praktijk gebracht? Abrahamse nam de praktijk als uitgangspunt. Hij laat zien hoe er in Amsterdam geworsteld werd met de vraag hoe je de stad van voldoende verkeersaders kon voorzien om de bevolking te voeden en te verwarmen. De aanleg van grachten was daar een antwoord op. Niet ‘de ideale stad’ was het uitgangspunt, maar ‘nut’, ‘cieraad’ en ‘profijt’. Dit boek is vernieuwend en verfrissend, en het is mooi uitgegeven en effectief geïllustreerd. Verplichte kost voor iedere liefhebber van Amsterdam.”

3 Jaap Evert Abrahamse: De grote uitleg van Amsterdam.
Thoth, 498 blz, € 49,50 (besproken in Boeken, 31-3-2011)



Copyright NRC Handelsblad BV

31-3-2011 - Hulsman, Bernard
Precies 2814 noten gebruikt Jaap Evert Abrahamse om de Amsterdamse stadsontwikkeling in de 17de eeuw te beschrijven in De grote uitleg van Amsterdam. Minutieus en met een goed oog voor memorabele details vertelt hij hoe de eerste en de tweede uitleg, de uitbreidingen aan de oostkant van Amsterdam aan het einde van de 16de eeuw, niet genoeg ruimte boden om de nieuwe bewoners van de snelst groeiende stad van Europa op te vangen. Daarom volgde in 1612 de derde uitleg, het eerste deel van Amsterdams beroemde grachtengordel, van het IJ tot de Leidsegracht. Toen Amsterdam in de Gouden Eeuw onstuimig bleef groeien, volgde in 1662 de vierde uitleg, waarbij de grachtengordel werd vergroot tot een halve cirkel rondom de oude stad.

De grachtengordel is nog altijd beroemd en populair. Vorig jaar werd dit stuk Amsterdam op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO geplaatst, morgen krijgt het in een 17de-eeuws grachtenpand een eigen museum. En onlangs verscheen een herdruk van De grote uitleg van Amsterdam – hoogst uitzonderlijk voor een proefschrift – waarop Abrahamse vorig jaar promoveerde. Twee jaar lang heeft hij, dag in dag uit, 4.000 documenten – besluiten van het 17de- eeuwse stadsgemeentebestuur, koopaktes, klachtschriften, brieven, kaarten enzovoorts – doorgenomen, vertelt hij in zijn woning aan de Overtoom in Amsterdam.

„Ik heb 4.000 documenten in een databank op mijn computer gezet”, zegt Abrahamse, inmiddels senioronderzoeker historische stedenbouw bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. „Zo kon ik ze gemakkelijk op thema’s en trefwoorden doorzoeken. Zonder computer is dit type onderzoek ondenkbaar.”

Hoe verklaart u het succes van uw proefschrift?

„Mensen hebben een groeiende belangstelling voor hun directe omgeving. En daar willen ze goede, gedegen informatie over. Ik denk ook dat herkenbaarheid een rol speelt. Ik laat in mijn boek zien dat de grachtengordel mensenwerk is, met alle moeilijkheden, gerommel, tegenstrijdige belangen en ruzies die daar bij horen.”

Bij eerdere historische beschrijvingen van de grachtengordel speelt de ‘ideale stad’ altijd een rol, positief of negatief. De een beschouwt de grachtengordel als een poging om een ideale stad te bouwen. De ander verwijt het toenmalige stadsbestuur dat het uit was op geldelijk gewin en dat het ideaal daarom niet werd bereikt.

„Dat is iets typisch 20ste-eeuws. In die tijd raakten veel architecten en architectuurhistorici in de ban van de gedachte van de functionalistische, maakbare stad, een stad die van deurkruk tot stadswijk was ontworpen. En dus zag men daar in de grachtengordel graag een voorloper van, of juist niet.

„Het heeft ook te maken met de genieëncultus. Zoiets moois als de grachtengordel kan alleen maar het werk van een groot ontwerper zijn. Het is een aantrekkelijke gedachte dat een genie de punt van zijn passer in de Dam zette en toen cirkels is gaan tekenen. Ik heb bewust niet geprobeerd om allerlei modellen te projecteren op de stadsplattegrond. Ik ben door al die archiefstukken geploegd om er achter te komen hoe de grachtengordel nu precies tot stand gekomen is.”

In uw boek schrijft u dat er nooit één duidelijk alomvattend plan voor de Amsterdamse grachtengordel was.

„Er is in het begin van de besluitvorming over de grachtengordel een kaart geweest waarop stadstimmerman Hendrick Jacobsz Staets een stadsuitbreiding rondom Amsterdam heeft getekend. Die is verloren gegaan, we weten niet hoe die er precies uitzag. Maar het staat vast dat die geen rol heeft gespeeld bij de daadwerkelijke derde uitleg.

„Staets’ plan was politiek en economisch onhaalbaar. De stad was omstreeks 1610 hard op weg naar de financiële afgrond, dus er moest iets gebeuren. Daardoor is de derde uitleg uiteindelijk een lappendeken van deelplannen geworden, die tijdens de uitvoering vaak nog veranderden ook, meestal om de stad nog meer aan de gronduitgifte te laten verdienen. Zo waren van de bekende negen straatjes in de derde uitleg er eerst maar zes. De Jordaan was voor de uitleg een voorstad buiten de stadsmuren die simpelweg in de stadsuitbreiding is opgenomen. Sloten van het oude polderland werden veranderd in straten en grachten. Buitenmuurse bewoners die moesten wijken voor de aanleg van de grachten moesten daar hun plaats vinden. Zo werd de derde uitleg een heel gepuzzel en geschuif.”

Voor de vierde uitleg bestond wel een plan. Wat was het verschil tussen de derde en de vierde uitleg?

„Een belangrijk verschil is dat het stadsbestuur bij de vierde uitleg besloot om alle grond die nodig was te onteigenen. Ze hadden geleerd van de derde uitleg en van de gang van zaken bij de Jordaan. Aan het besluit om alle grond te onteigenen ging een lange discussie vooraf. Dat gebeurde heel zorgvuldig. Amsterdam was formeel geen democratie, maar ieders belang werd gehoord. Iedereen met bezwaren tegen bijvoorbeeld de onteigening van zijn huis of molen kon bij de burgemeester aankloppen. Mensen kregen niet alleen een vergoeding voor hun huis, maar ook een verhuispremie.

„In de vierde uitleg kreeg alles zijn plek. Er kwam een buurtje voor de wevers en ook andere ambachtelijke activiteiten kregen een plek in het plan. Al die verschillende onderdelen van de stad werden ontsloten door een slim verkeerssysteem, met grachten en achterstraten zoals de Kerkstraat, die weer aansloten op de Amstelbruggen. Het was voor het eerst dat op zo’n schaal ruimtelijke ordening werd bedreven. Maar ook esthetische overwegingen speelden een rol. De grachtengordel was ‘sieraat, nut en profijt’ zoals het in de 17de eeuw heette.”

Waaruit bestond de schoonheid van de grachtengordel voor de 17de-eeuwer? Het waren niet de grachten. De grachtenbewoners hadden liever een boulevard voor de deur gehad, schrijft u.

„De schoonheid van de grachtengordel school voor de 17de-eeuwer in de grote schaal van het plan, in de symmetrie en strakheid. Dat heeft Berckheyde op zijn beroemde schilderij Gezicht op de Gouden Bocht heel goed weergegeven. De strakke, classicistische architectuur werd gewaardeerd, vooral als er een hele rij huizen door dezelfde architect was ontworpen. Vlak bij de Amstel stond bijvoorbeeld een flink aantal panden dat door Adriaan Dortsman was ontworpen. Dat was het beeld dat men nastreefde in de 17de eeuw – vergelijkbaar met de Place des Vosges in Parijs. Maar het is lang niet overal gelukt. De hang naar uniformiteit stond op gespannen voet met de kavelgewijze gronduitgifte en de vrijheid die de bouwheren hadden.”

U schrijft dat Amsterdam in de 17de eeuw de meest geordende grote stad in Europa was. Hoe komt het dat de eerste grootscheepse ruimtelijke ordening plaats had in de Republiek der Nederlanden en niet in Parijs dat in de 17de eeuw een absolute vorst had?

„Ook het Amsterdamse stadsbestuur had grote macht. Maar daar kwamen nog wat dingen bij. De groei van Amsterdam was niet groot, maar gigantisch. En de bodemgesteldheid, met al dat water en die slappe grond, maakte bouwen niet makkelijk. En de groei van Amsterdam bracht veel zwaar vervuilende activiteiten met zich mee, zoals leerlooierijen. Het stadsbestuur had geen keus: de stad moest groeien volgens een plan, anders zou het een onleefbare chaos zijn geworden.

„Zelfs de planmatige uitbreiding kon veel problemen niet oplossen. Men heeft van alles geprobeerd, maar het goed doorspoelen van de grachten werd pas mogelijk door de komst van het stoomgemaal in de 19de eeuw. Voordien waren de grachten ontstellend smerig. ‘Een schone maagd met stinkende adem’ – zo stond Amsterdam bekend in de 17de eeuw.”

Veel hedendaagse stedenbouwers stellen de grachtengordel als voorbeeld voor moderne, ‘burgerlijke stedenbouw’. Is dat realistisch in de 21ste eeuw?

„Ik denk het wel. Ook nu willen veel mensen hun eigen huis bouwen. En het systeem van de grachtengordel is hiervoor nog steeds bruikbaar: maak een goed functionerend stedenbouwkundig plan, waarin particuliere opdrachtgevers de mogelijkheid krijgen om vorm te geven aan hun wensen, geef de grond in kavels uit en laat de mensen bouwen, met een paar simpele regels en richtlijnen. En ga dan achteraf niet zeuren als je niet precies krijgt wat je verwacht had.

„Zo simpel was het. In de vroegmoderne tijd bouwden heel veel mensen zelf, van de middenstand tot de heel rijken. Ze handelden in grond of ze zetten een huis neer om te verhuren. De grachtengordel was de uiting van een soort volkskapitalisme. Het ondernemerschap zit er op allerlei lagen in verweven. Niet alleen het beeld, maar ook de achterliggende methode kan daarom een inspiratiebron voor stedenbouwers zijn.”

Jaap Evert Abrahamse: De grote uitleg van Amsterdam. Amsterdamse stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw. Thoth, 432 blz. € 49,50

Morgen opent het Museum van de Grachtengorden in Amsterdam op Herengracht 386.



Copyright NRC Handelsblad BV

29-1-2010 - Roelof van Gelder
De schoonheid lag niet in de grachten
De principes waarop Amsterdam gebouwd is

De plattegrond van Amsterdam werd lange tijd gezien als een voortreffelijk masterplan. Maar Amsterdam is geen ideale stad, maar een optimale stad.

Halve maan, spinnenweb, semiconcentrisch. Waar komt die kenmerkende plattegrond van Amsterdam vandaan? Generaties architectuurhistorici, kunsthistorici, geografen, renaissancisten, stedenbouwkundigen en gewone liefhebbers hebben zich hiermee beziggehouden. Negentiende-eeuwers bewonderden die stadsvorm als een masterplan: de uitdrukking van een geniaal concept in een gelukkige stad met briljante bouwheren en burgemeesters. Op die visie kwam weer kritiek omdat het stadsbestuur in 1613, toen begonnen werd met het eerste deel van de beroemde grachtengordel, nog helemaal niet het vervolg van zestig jaar later kon vermoeden. Sommigen brachten de achtereenvolgende stadsuitbreidingen in verband met renaissancistische ideeën over een ideale stad, maar ook dat werd weer betwist. Een antwoord is alleen te vinden door onderzoek, niet in de 16de- en 17de-eeuwse architectuurtraktaten, maar in de Amsterdamse overheidsarchieven over de periode waarin de vier achtereenvolgende stadsvergrotingen plaatsvonden: vanaf ongeveer 1585 tot 1680. Iets dat kunsthistoricus Jaap Evert Abrahamse deed. Het resultaat is de indrukwekkende, mooi uitgegeven studie De grote uitleg van Amsterdam, waarop hij vorige week cum laude promoveerde.
Amsterdam groeide in fasen; vier maal moest het stadsbestuur plannen maken om de overbevolkte, benauwde en onbeheersbaar geworden stad te vergroten. De demografie spreekt boekdelen: 30.000 inwoners in 1585, 132.000 in 1632, 219.000 in 1680. Maar niet alleen raakten de Amsterdammers krap behuisd, ze kregen in toenemende mate te maken met een groeiend aantal bedrijven, met nieuwe markten en een behoefte aan steeds meer havencapaciteit. Keer op keer leidde het economisch vliegwiel tot een stedelijke constipatie. De stad leek op een overstromende hogedrukpan. Duizenden vestigden zich buiten de stadsmuren, waar een ongeorganiseerde substad gedijde, vol bedrijfjes, tapperijen, huisjes en tuintjes, bevolkt door randfiguren. Het was er niet helemaal pluis, maar het wonen had er zijn voordelen: de belastingen konden er lager zijn, overheidscontrole was er met mate en op een lapje grond kon men zijn eigen groente verbouwen. Dit alles was de overheid een doorn in het oog. Ook al omdat dit alles de stedelijke defensie hinderde.
Abrahamse laat zien wat een veelzijdige lading het woord ‘stadsuitbreiding’ bezit en bevestigt in feite het beeld van nuchtere bestuurders die de financiële kant nooit uit het oog verloren. Bij elke fase moesten zij behalve het uitbreidingsontwerp zelf eerst fundamentele zaken regelen: onteigening van de grond waarop het nieuw stuk stad zou komen, het afbreken van de bestaande bebouwing, het aanleggen van nieuwe stadswallen en een globale kostenraming. Pas daarna kon men met de geplande uitleg beginnen. De stad verdiende de reusachtige bedragen voor al die uitbreidingen kostten, terug door de nieuwe grond te verkopen.
Omstreeks 1680 was de halve maan voltooid; de nieuwe grachten waren vooral bestemd als woongebied voor de welgestelden. Bedrijfjes en minder draagkrachtigen werden geconcentreerd in de oude binnenstad, in de Jordaan, in zijstraatjes en in de buitenstad. Zodoende vond er ook een opvallende sociale segregatie plaats. Hier aangeland heeft Abrahamse de lezer op minutieuze wijze meegevoerd langs de stadsarchitecten, de stadstimmerlieden, de stadsmetselaars, de landmeters, de burgemeesters, de thesauriers en vroedschapsleden, die elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid de verschillende uitbreidingen hebben ontworpen, verworpen, aangepast en uitgevoerd, in het spanningsveld tussen de dringende eisen van burgers en ondernemers en de financiële mogelijkheden van de stad.
Abrahamse ziet in het uitgebreide Amsterdam geen ideale stad, maar een optimale stad, die binnen een eeuw vijfmaal zo groot was geworden. De stad mocht zich dan ook gelukkig prijzen met een aantal voortvarende en kundige mannen en met enkele burgemeesters die niet alleen verstand van besturen hadden maar ook van architectuur, landmeetkunde en techniek.
Abrahamse betrekt zowel de demografische en sociale als de economische en infrastructurele aspecten in zijn studie. De gedetailleerdheid en de zakelijke, weinig beeldende maar in ieder geval jargonloze stijl maken het eerste deel van deze studie wel eens taai. Temeer daar de lezer zich voortdurend moet verplaatsen van steeg naar straat, van gracht naar bolwerk en van plannen die wel en dan weer niet zijn uitgevoerd. Je zou soms liever een documentaire zien. Pas wanneer de invulling van de stadsuitbreidingen aan bod komt en we lezen over de bouw van de huizen binnen de grachtengordel, over de bestrating, de aanleg van kades, de problemen met het waterbeheer wordt het concreter en soepeler.
Een vraag die zich opdringt is of men destijds de esthetiek voor ogen had. Het antwoord staat licht verspreid in het boek en komt in de conclusie ter sprake. Het stedelijk bestuur liet zich, aldus Abrahamse, leiden door drie principes: functionaliteit, financieel rendement en esthetiek. Laatstgenoemde speelde de kleinste rol.
De schoonheid van de stad lag in ieder geval niet in die plattegrond en ook niet in de grachten. De halve maanvorm vinden wij nu zo vanzelfsprekend, logisch en mooi, dat het wel zo bedacht moet zijn. Maar dat masterplan is een mythe, dat was al eerder aangetoond. De meerderheid van de bevolking zal niet beseft hebben dat ze in een semi-concentrische stad leefden. De esthetiek lag ook niet in de grachten. Dat mag nu zo zijn, maar in de zeventiende eeuw was dat water, aldus Abrahamse, geen motief. Integendeel. De meest gefortuneerde burgers hadden liever aan een stedelijke boulevard gewoond.
Maar op enkele punten heeft de stad wel degelijk esthetische invloed gehad. Ten eerste betrof dat de architectuur aan de grachten. De breedte der kavels lag vast. Wie handig en gefortuneerd was verwierf twee kavels zodat hij een dubbel grachtenpand kon laten bouwen, liefst aan de Herengracht. De Gouden Bocht heet niet voor niets zo. Voor de ontwerpen van de huizen gaven de eigenaren opdracht. Ze deden dat met een tamelijk homogene voorkeur voor de classicistische stijl van regelmaat, symmetrie, evenwicht en juiste proporties. Samen met een uniforme bouwhoogte en het gebruik van kostbare natuursteen verkregen de grachtenwanden hun mooie, monumentale karakter. De overheid stelde enkele randvoorwaarden vast zoals voor de rooilijnen, stoepen, balkons en kroonlijsten.
De openbare gebouwen zoals sociale instellingen, markthallen en niet te vergeten het stadhuis liet de overheid ontwerpen volgens diezelfde principes van een ingetogen Hollands classicisme. En dan hebben we nog de openbare ruimte. Daar heeft ook een esthetisch element gespeeld. De stad keek goed toe op de aard van de bestrating en op het karakter van de stenen bruggen. En niet als laatste: op de groenvoorziening. Amsterdam was de eerste stad waar zo planmatig en op zo’n grote schaal bomen werden geplant en wel ‘om de soete lucht, cieraet ende plaisantie deser stede’.
Twee niet uit te drijven factoren maakten dat de stad, hoe rationeel en modern ook, niet ideaal was: het water en zijn bewoners. De grachten waren er toen voor het vervoer en ze werden onbedoeld gebruikt als vuilnisbelt en riool. Eeuwenlang wierpen de Amsterdammers hun huis- en bedrijfsafval onbekommerd in de grachten. Restanten van de groente- vlees- en vismarkten, kadavers, de afvalproducten van leerlooierijen, bierbrouwerijen, katoendrukkerijen, suikerraffinaderijen, enzovoort, alles verdween in het water, zelfs zo sterk dat het verkeer ernstig werd belemmerd. Samen met de verstikkende dampen die toch al van die industrietjes afwalmden was de stank vooral ’s zomers niet te harden. Stedelijke verboden, straatvegers, vuilnisdiensten, baggeraars, hele sluizenstelsels die de doorstroming moesten bevorderen, niets hielp. Tot ver in de 19de eeuw was Amsterdam gewoon een stinkstad.
En in die stad woonden Amsterdammers. In feite een plaag omdat zij, ongevoelig voor stedelijke sancties, niet gehinderd door burgerzin en gedreven door winstbejag, voortdenderden met hun karren, kruiwagens en koetsen. De bestrating op de toch al drasse ondergrond raakte permanent verstoord, bomen en lantaarnpalen legden het loodje. En dan lezen we over de schippers die tegen de kaderanden aanbotsen of met hun bootshaken het metselwerk stuk trokken. Wie als bewoner daar iets van zei werd ook toen al ‘seer bits en vinnig bejegent’ met de toevoeging dat de wagenbestuurder ‘alles onder de voet wil rijden, wat hem in de weg staat’. Een herkenbaar staaltje van vroegmoderne hufterigheid. De ideale stad vinden we alleen op de schilderijen en tekeningen van die tijd. Zoals op het Gezicht op de Herengracht van Gerrit Berckheyde: zonnig, vredig, ruim en overzichtelijk. En vrijwel geen Amsterdammers.

Copyright NRC Handelsblad BV