Volg ons op

Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Great Gatsby
 

Great Gatsby

F. Scott Fitzgerald
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 10,95
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
'There was music from my neighbour's house through the summer nights. In his blue gardens men and girls came and went like moths among the whisperings and the champagne and the stars'. Everybody who is anybody is seen at the glittering parties held in millionaire Jay Gatsby's mansion in West Egg, east of New York. The riotous throng congregates in his sumptuous garden, coolly debating Gatsby's origins and mysterious past. None of the frivolous socialites understands him and among various rumours is the conviction that 'he killed a man'. A detached onlooker, Gatsby is oblivious to the speculation he creates, but always seems to be watching and waiting, though no one knows what for. As the tragic story unfolds, Gatsby's destructive dreams and passions are revealed, leading to disturbing consequences. A brilliant evocation of 1920s high society, "The Great Gatsby" peels away the layers of this glamorous world to display the coldness and cruelty at its heart.
ISBN/EAN 9780241951477
Hoogte (in mm): 180
Dikte (in mm): 18
Gewicht in (in gram): 119
Breedte (in mm): 112
Bindwijze: Paperback
Aantal pagina's: 191
Genre: Literaire fictie algemeen
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20110101
Auteur: F. Scott Fitzgerald
Print dit artikel
27-1-2012 - Elsbeth Etty
Pim Fortuyn wás The Great Gatsby

Kijk naar het huis, de vrienden en het gedachtengoed van Jay Gatz, hoofdpersoon van Scott Fizgeralds roman The Great Gatsby en het wordt steeds duidelijker: alles doet denken aan een andere tragische held: de ‘Grootste Nederlander’ Pim Fortuyn.
The Great Gatsby, Scott Fitzgeralds roman uit 1925 over een nouveau riche die wordt ingehaald door zijn schimmige verleden, is een boek van alle tijden. Het is niettemin verleidelijk parallellen te zoeken met het heden. Voor de NRC Leesclub legde Pieter Steinz het verband met de economische crisis van nu (Boeken, 16.12.11): ‘Het kleine beetje moraal dat Fitzgerald, zijn verhaal meegeeft klinkt de toeschouwers van de huidige bankencrisis maar al te bekend in de oren: de nieuwe rijken „maakten dingen en mensen kapot en trokken zich dan weer terug in hun geld of in hun onmetelijke onachtzaamheid […] en lieten andere mensen de troep opruimen die ze hadden gemaakt…”.’
De handelaars in vastgoed en speculanten van wat tegenwoordig hedge funds heten, vierden in het boek van Fitzgerald hun feestje. Beter dan met de huidige crisis valt dat te vergelijken met de euforie die aan de crisis voorafging, de manische periode die een depressie inluidt. The Great Gatsby was tien jaar geleden actueel, tijdens de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn. De hoofdpersoon uit de roman doet mij dan ook onweerstaanbaar denken aan deze even flamboyante als tragische held uit onze recente geschiedenis.
Jay Gatz alias Gatsby en Pim Fortuyn vertonen griezelig veel overeenkomsten. Alleen al de eenvoudige, provinciale komaf van Pim Fortuyn, die om chic te lijken de ij in zijn achternaam naam in een y veranderde, zoals ook Gatsby een y aan zijn achternaam toevoegde. Gatsby schepte op over zijn vermeende studie in Oxford, Pim Fortuyn bleef zich professor noemen toen hij allang geen bijzonder hoogleraar meer was. En dan de opzichtige wijze waarop beide nouveaux riches zich kleedden, hun overhemden, dassen, pakken, en het gepronk met hun kastelen van huizen en protserige auto’s. Denkend aan Fortuyns ‘Palazzo di Pietro’ kreeg ik zelfs het idee dat Gatsby het rolmodel voor Pim is geweest en Gatsby’s ‘chateau’ het voorbeeld voor zijn Rotterdamse paleis. Of neem de ‘vrienden’ van Fortuyn die op zijn succes probeerden mee te liften. Zij leken zo uit Gatsby’s feesten weggeplukt.
Het verwaten stelletje dat na de moord op Fortuyn de LPF-fractie vormde, vierde een paar maanden het uitzinnige almachtsfeest van parvenu’s die even mee mochten doen met de macht. Bij de verkiezingen in 2002 haalde de Lijst Pim Fortuyn 26 zetels en werd meteen toegelaten tot de regering. Herinnert u zich Herman Heinsbroek nog, die even minister van Economische zaken was? HP/De Tijd wijdde een artikel aan deze ‘onconventionele multimiljonair’ en noemde ‘het nouveau riche- troeteldier Jan des Bouvrie’ als degene die Heinsbroek aanbeval bij zijn buurman en LPF’er Ferry Hoogendijk. ‘Heinsbroek aarzelde aanvankelijk […] maar zijn hang naar roem en erkenning is nou eenmaal onmetelijk groot.’
Zulke mensen bevolkten de 21ste-eeuwse versie van Gatsby’s vermaarde feesten: louche zakenlieden, Bekende Nederlanders, Harry Mens-achtige types en allerhande profiteurs die op roem of baantjes uit waren. De plek waar Gatsby zijn feesten gaf in het fictieve dorp West Egg op Long Island, doet denken aan dorpen in het Gooi waar de Nederlandse nieuwe rijken wonen.
Waarover praatten zij tijdens hun bijeenkomsten? Ik vermoed dat hun gesprekken weinig verschilden van de discussies in de kringen waar Gatsby graag toe wilde behoren en die hij, omdat zijn grote liefde Daisy daar deel van uitmaakte, naar zijn feesten probeerden te lokken. Tom en Daisy Buchanan zijn weliswaar geen parvenu’s, maar dat maakt ze niet minder primitief dan Gatsby. Alle drie komen ze uit het conservatieve, racistische Midwesten en geen van drieën voelen ze zich thuis aan de kosmopolitische Oostkust. De enige bagage die ze hebben is geld.
Knickerbockers
Ik heb me, wegens de gedetailleerde namenlijst van Gatsby’s gasten, vaak afgevraagd in hoeverre The Great Gatsby een sleutelroman is over de New Yorkse nouveau riches van de jaren twintig. Voor mij intrigerend, komt er ook een zekere Etty voorbij: ‘Clarence Endive kwam maar één keer, in witte knickerbockers en ging in de tuin op de vuist met een niksnut, Etty genaamd.’ Er zijn veel studies gedaan naar deze passage, zoals naar elke passage in The Great Gatsby, maar wie Etty was en waarom Clarence Endive het nodig vond om met deze niksnut op de vuist te gaan, is nooit opgehelderd.
Wie weet werd Etty in elkaar geslagen wegens zijn of haar opvattingen, waarvan ik hoop dat zij diametraal tegenover die van Gatsby’s kennissen stonden, zoals Tom Buchanan met zijn opmerking: ‘Heb je De opkomst van de heerschappij der gekleurde volkeren van die Goddard gelezen? […] Het uitgangspunt is dat, als we niet uitkijken, het blanke ras – eh, verzwolgen zal worden. Wij, die het dominante ras zijn, moeten oppassen of anders zullen die andere rassen de lakens gaan uitdelen.’
‘We moeten ze onderdrukken’, antwoordt Daisy daarop. En Tom vervolgt: ‘De gedachte is dat we noorderlingen zijn. En wij hebben al die dingen voortgebracht die samen de beschaving vormen – zoals, wetenschap en kunst, en al dat soort dingen.’
Het fictieve boek van Goddard is gebaseerd is op twee titels die begin jaren twintig in de mode waren: The Rising Tide Of Color Against White World-Supremacy van Theodore Lothrop Stoddard en The Passing of the Great Races van Madison Grant. Deze racistische antropologen vonden dat het ‘Noordse ras’ superieur was en behouden moest blijven via eugenetica. Ze keerden zich tegen de grote aantallen immigranten begin jaren twintig uit Zuid- en Oost-Europa.
Naar aanleiding van de aanscherping van de Amerikaanse immigratiewet uit 1924 schreef Stoddard: ‘Het is volkomen terecht dat onze huidige immigratiepolitiek Noord-Europeanen bevoordeelt boven mensen uit andere delen van Europa, en dat niet-blanke rassen die naar binnen willen, nog strenger worden gediscrimineerd. De voornaamste reden hiervoor is niet een theorie over rassensuperioriteit, maar de meest fundamentele en volkomen legitieme van alle menselijke instincten, namelijk zelfbehoud.’
Pim Fortuyn maakte zich niet schuldig aan racisme, maar was wel een tegenstander van wat hij ‘niet westerse immigranten’ noemde. In 1997 publiceerde hij zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur en in 2002 verklaarde hij: ‘Als ik het juridisch rond zou kunnen krijgen, dan zou ik gewoon zeggen: er komt geen islamiet meer binnen. Ik ben ook voor afschaffen van dat rare Grondwetsartikel: gij zult niet discrimineren.’ Verder noemde hij de islam ‘een achterlijke cultuur’ . Kort daarna zei hij over Nederlandse moslims: ‘We hebben godverdomme hier gewoon een vijfde colonne! Van mensen die het land naar de verdommenis willen helpen.’
Droomvrouw
Wat Tom Buchanan en Pim Fortuyn gemeen hebben is hun provincialisme, hun xenofobie en de ellendige omstandigheid dat ze omringd werden door mensen die hen naar de mond praatten. Daisy, Gatsby’s droomvrouw tegen wie hij zo huizenhoog opziet wegens haar vermeende beschaving, is een geborneerd leeghoofd. Zij vindt dat ‘wij’ als dominante ras anderen moeten onderdrukken.
Maar Pim Fortuyn heeft meer gemeen met Gatsby dan met Tom Buchanan, de schurk in het boek, die zijn maîtresse een gebroken neus slaat, maar z’n eigen vrouw geen minnaar gunt omdat hij voor family values is. Gatsby en Fortuyn stonden totaal anders in het leven dan Tom: onconventioneel en behept met een energie, vrolijkheid en fantasie die – hoe hun patserigheid je ook tegen de borst stuitte – sympathie opriepen. Gatsby en Fortuyn waren beiden tragische helden.
Scott Fitzgerald beschrijft Gatsby als iemand ‘die aan de platonische conceptie van zichzelf was ontsproten’, precies zoals Fortuyn die zijn eigen mythe had gecreëerd. Ze joegen allebei met een aan krakzinnigheid grenzende inzet een droom na, waarvan niet duidelijk was wat die precies inhield. Waarschijnlijk een obsessief streven naar zelfverwezenlijking, waarin iedereen wel iets herkent.
In 2004 werd Fortuyn in het gelijknamige KRO-tv-programma gekozen tot ‘De Grootste Nederlander’, waarmee de parallel met de Grote Gatsby compleet is. Bij allebei zag je het drama levensgroot aankomen: ze verlangden te veel en werden door gestoorde specimen van het noordelijke ras neergeknald. Gatsby werd vermoord aan het eind van de zomer van 1922 – zeven jaar later was de beurskrach. Pim Fortuyns feest eindigde in mei 2002, zeven jaar later zat Nederland, met de rest van de westerse wereld, in de zwaarste economische crisis sinds de jaren dertig.

Copyright NRC Handelsblad BV
16-12-2011 - Steinz, Pieter
aten we bij het slot beginnen. De titelheld is dood en begraven, ‘het feest is voorbij’, en de verteller van het verhaal staat op het punt terug te keren naar het Midden- Westen. Voor het laatst loopt hij langs het enorme zomerhuis van zijn vermoorde buurman Jay Gatz, alias The Great Gatsby. En mijmerend in het maanlicht op het strand van het fictieve plaatsje West Egg op Long Island wordt hij zich naar eigen zeggen geleidelijk bewust ‘van dit oude eiland hier dat zich eens in al zijn weligheid aan de ogen van Nederlandse zeelieden had ontvouwen – een frisse groene borst van de Nieuwe Wereld. De verdwenen bomen […] hadden eens lispelend ingespeeld op de laatste en meest verheven droom van alle van de mens; voor een vluchtig magisch ogenblik moet de mens, bij het aanschouwen van dit continent, zijn adem ingehouden hebben […], voor de laatste keer in de geschiedenis geconfronteerd met iets dat evenredig was aan zijn vermogen tot verwondering’ (vert. Susan Janssen).

Een meesterlijke passage, nog indrukwekkender in het geciseleerde Engels van F. Scott Fitzgerald (1896-1940), gevolgd door de beroemde slotzinnen over toekomstdromen die ons altijd weer ontglippen en het verleden dat ons blijft inhalen. Ik herinner me hoe die laatste pagina van The Great Gatsby werd voorgelezen aan het begin van een college ‘Studies in American Literature and Society’, en hoe de docent ‘deconstrueerde’ wat voor een seksistisch en etnocentrisch wereldbeeld erachter schuilging. Wat nou ‘frisse groene borst’? Waarom alweer de mythe van virgin land en van het ongerepte paradijs? Veegde Fitzgerald hier de oorspronkelijke bewoners van Amerika niet gewoon onder het groene tapijt?

Hoge bomen vangen veel wind. The Great Gatsby staat bekend als de ultieme Great American Novel; een tijdsbeeld van Amerika in The Jazz Age, een roman die gaat over de Amerikaanse Droom en vooral over een hoofdpersoon die hardhandig met de werkelijkheid wordt geconfronteerd. En dus is het boek sinds zijn verschijning in 1925 bediscussieerd en gekritiseerd – door lezers die zich ergerden aan Fitzgeralds sentimentaliteit, aan zijn fascinatie voor rijkdom, of aan zijn niet al te verholen antisemitisme, door academici die er de theorieën van Marx, Freud en Derrida op loslieten; en door biografen die in het tragische lot van de drankzuchtige, feestbeluste en stinkend rijke personages uit de roman een weer- of voorafspiegeling zagen van het leven van de auteur.

Want ja, de carrière van Francis Scott Key Fitzgerald, de jongen uit Minnesota die studeerde in Princeton en rijk werd met zijn licht-autobiografische romandebuut This Side of Paradise (1920), is net als The Great Gatsby symbolisch voor de Jazz Age: grote verwachtingen, ongebreideld hedonisme en daarna de Grote Depressie. Samen met zijn vrouw Zelda (aan wie The Great Gatsby ‘once again’ is opgedragen) leidde hij een extravagant societyleven in New York en aan de Franse Rivièra, totdat de geestelijke problemen van Zelda en zijn eigen alcoholisme – beide vereeuwigd in de autobiografische roman Tender Is the Night – het onmogelijk maakten. In de tussentijd schreef hij niet alleen tientallen verhalen over de keerzijde van de Gay Twenties (waaronder de roman The Beautiful and Damned, over een niet te stuiten dronkaard) maar ook scenario’s voor de filmindustrie in Hollywood. In 1939 begon hij aan een roman over een filmbaas die zich doodwerkt, The Last Tycoon, maar hij stierf zelf aan een hartaanval voordat hij die kon voltooien.

The Great Gatsby, Fitzgeralds derde roman, is het verhaal van de nouveau riche Jay Gatsby, die niet kan ontsnappen aan zijn (schimmige) verleden. Het is ook het verslag van een ongelijkwaardige vriendschap (tussen Gatsby en zijn buurman op Long Island, de hopeloos naïeve ik-figuur Nick Carraway), én een Shakespeareaanse tragedie over jaloezie en gefnuikte illusies. Gatsby moet zijn pogingen om – met behulp van zijn nieuw verworven status – zijn getrouwde jeugdvriendin Daisy voor zich te winnen, met de dood bekopen. Hij is des te tragischer omdat de oppervlakkige Daisy zijn inspanningen niet waard is – hoewel Nick Carraway suggereert dat het misschien niet helemaal Daisy’s schuld is dat ze niet aan Gatsby’s dromen kan beantwoorden, ‘vanwege de immense vitaliteit van zijn illusies.’ Gatsby is volgens Carraway ontsproten ‘aan zijn platonische conceptie van zichzelf’, maar dat geldt ook voor het obscure object van zijn verlangen.

Aan het eind van de roman concludeert Nick ‘dat dit toch een verhaal over het Westen is geweest – Tom [de rijke man van Daisy] en Gatsby, Daisy en [haar vriendin] Jordan en ik, we kwamen allemaal uit het Westen, en misschien hadden we een of ander subtiel gebrek met elkaar gemeen waardoor we ons niet aan het leven aan de oostkust konden aanpassen.’ Er wordt wel gezegd dat Fitzgerald in The Great Gatsby heeft geprobeerd om het grote thema van zijn voorganger Henry James – de botsing tussen het onschuldige westen en het corrupte oosten – opnieuw vorm te geven. Op het moment dat zijn personages de Midwest verlaten, verliezen ze hun onschuld, en uiteindelijk heeft alleen Nick nog een toekomst, want hij gaat terug naar zijn geboortegrond. Over Gatsby heeft de verteller dan al een tiental pagina’s eerder opgemerkt dat hij ‘het gevoel [moet] hebben gehad dat hij de oude warme wereld had verloren en voor het te lang in leven houden van één droom een hoge prijs had betaald.’

‘Trimalchio at West Egg’ was een van de vele werktitels van The Great Gatsby, en het is niet moeilijk te begrijpen waarom. Net als de Romeinse vrijgelatene Trimalchio, uit Petronius’ Satyricon (ca 65 nC), is de voormalige dranksmokkelaar en oplichter James Gatz zo rijk dat hij niet meer weet wat hij met zijn geld moet doen. Bovendien heeft hij te weinig smaak om zich bij de oude rijken (waartoe Tom en Daisy behoren) te kunnen voegen. Zijn huis is een protserig Frans château, zijn auto is een Hummer avant la lettre, zijn feesten kenmerken zich alleen maar door absurde luxe, zijn pak is roze en als hij indruk wil maken op Daisy spreidt hij trots zijn stapels Engelse overhemden voor haar uit – in een even gênante als aandoenlijke scène. Wie schreef er ook alweer dat zijn bijnaam, de Grote Gatsby, erop wijst dat hij meer een circusachtige showman is dan een verantwoordelijk aspirantlid van de aristocratie?

Gatsby gaat over geld. Wat Gatsby zegt over Daisy – ‘Haar stem is vol geld’ – is ook van toepassing op de roman. Dat er op diverse plaatsen in de wereld sprake is van een kleine Gatsby-revival – nieuwe uitgaves, een op stapel staande verfilming door Baz ‘Moulin Rouge’ Luhrmann, uitverkiezing voor de NRC Leesclub Live – zal dan ook niet alleen te danken zijn aan het feit dat de rechten op het werk van Fitzgerald vorig jaar vrij kwamen. De onverantwoordelijke levensstijl van de superrijken die in The Great Gatsby aan de kaak wordt gesteld – schenk bij, eet op, dans door, laat het breed hangen – is helemaal van deze tijd. En het kleine beetje moraal dat Fitzgerald, of liever Nick Carraway, aan zijn verhaal meegeeft klinkt de toeschouwers van de huidige bankencrisis maar al te bekend in de oren: ‘ze maakten dingen en mensen kapot en trokken zich dan weer terug in hun geld of in hun onmetelijke onachtzaamheid […] en lieten andere mensen de troep opruimen die ze hadden gemaakt…’



Copyright NRC Handelsblad BV