4-5-2012 - Ward Wijndelts
‘Men praat de gekste dingen goed’
Zowel Miquel Bulnes als Jan van Loy staan op de shortlist van de Libris Literatuurprijs. Beiden schreven een historische roman. Van Loy over de geschiedenis van Hollywood. Bulnes over een Spaanse nederlaag in de Rif. Wat dreef hen?
k heb al betaald’, zegt Miquel Bulnes (1976) aan het eind van het interview in een café in de Utrechtse binnenstad. Er is voor ruim dertig euro aan consumpties genuttigd en de rekening, zo hoort het nu eenmaal, moet door de vragende partij, de krant dus, worden voldaan. „Ik hoef het stuk ook niet te lezen”, vervolgt de schrijver stoïcijns. „Het schijnt dat de interviewer daardoor gevleid is en dan beter zijn best doet bij het uitwerken.” Even later loopt hij weg, de Neude op, de Utrechtse avond in.
Bulnes stond jaren bekend als een genreauteur. De eerste drie romans die hij publiceerde – Zorg (2003), Lab (2005) en Attaque! (2007) – handelden over de medische wereld. Een wereld waar Miquel Ekkelenkamp, zoals Bulnes eigenlijk heet, goed bekend is: hij is gepromoveerd arts en werkt als microbioloog bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht.
De verrassing was groot toen Bulnes vorig jaar een andere kant van zijn schrijverschap toonde met Het bloed in onze aderen, een in de vroege 20ste eeuw in Spanje gesitueerde historische roman van ruim zeshonderd pagina’s. Startpunt van het boek is ‘El desastre de Annual’ in 1921, een verschrikkelijke nederlaag van het Spaanse leger waarbij achtduizend mannen sneuvelden in het Marokkaanse Rifgebergte. Na ‘Annual’ ontstond er in Spanje een politieke crisis die twee jaar later zou culmineren in een staatsgreep van generaal Primo de Rivera.
Bulnes (het pseudoniem is de meisjesnaam van zijn moeder) schreef over die periode een complex boek in vijf delen met een veelheid aan verhaallijnen. Het werd lovend ontvangen en staat nu op de shortlist van de Libris Literatuurprijs.
Hoe bereidt u zich voor op de uitreiking, aanstaande maandag?
„Niet. Nou ja, ik heb een hotel geboekt, omdat ik geen zin heb om met de trein terug te moeten reizen van Amsterdam naar mijn woonplaats Utrecht. De afgelopen jaren heb ik bij de AKO en Librisprijs steeds op basis van de shortlist gegokt welk boek zou winnen: ik had het altijd mis. Dit jaar staan er zes boeken op, dus de kans dat het mijne wint is één op zes. Maar eigenlijk is de kans honderd of nul procent, want de jury heeft al gekozen.”
Uw moeder is Spaanse, dus dat u Spanje als decor koos, is begrijpelijk. Maar waarom richtte u zich op zo’n ondergesneeuwde periode uit de geschiedenis van dat land?
„Eerst wilde ik over de Spaanse Burgeroorlog schrijven, uiteindelijk leek een verhaal over mensen die drie jaar lang weinig anders doen dan op elkaar schieten, me niet zo interessant. Daarom ging ik me verdiepen in de ideologische basis van die oorlog. De burgeroorlog volgde uit de Tweede Republiek, die volgde weer uit de dictatuur van Primo de Rivera, en daarachter lag het drama van Annual verborgen.
,,Historici in Spanje zijn uitgesproken rechts of links en hun politieke voorkeur spat van de pagina’s. Daarom ben ik op zoek gegaan naar contemporaine bronnen, naar het oordeel van de mensen die toen leefden. Ik ontdekte algauw dat de invloed van Annual op de politiek in de jaren erna enorm was.”
Wat voor bronnen raadpleegde u?
„Ik ben begonnen met het onderzoeksrapport van generaal Picasso, een oom van Pablo, die de opdracht kreeg om de verantwoordelijken van Annual aan te wijzen. Het dossier is verdwenen bij de staatsgreep van 1923, maar de samenvatting ervan bestaat nog. Die heb ik online kunnen lezen. Daarnaast heb ik veel kranten uit die tijd gelezen in de nationale bibliotheek in Madrid. Mijn ouders wonen in Madrid, dus ik kan er eenvoudig terecht.”
In die periode buitelden de ideologieën over elkaar heen. Kan uw boek gelezen worden als een aanklacht tegen het concept van de ideologie?
„Het is meer een aanklacht tegen mensen die hun handelen rechtvaardigen op basis van een ideologie. De ideologie erachter kan best waardevol zijn. Je zag het toen, maar je ziet het nu nog steeds: hoe de gekste dingen worden goedgepraat met een beroep op een ideologie. Een tragisch voorbeeld daarvan is zo iemand als Ad Koppejan, die de goede bedoeling prefereert boven het resultaat. Of aan de andere kant van het spectrum Henk Bleeker, die precies doet waar hij zelf zin in heeft en dat vervolgens ophangt aan zijn eigen goedheid.”
Dat ideologieën zo worden ingezet – wilde u dat tonen?
„Het is daar een beetje op uitgedraaid, maar oorspronkelijk was het vooral een zoektocht naar de gebeurtenissen uit die tijd. Eigenlijk is het meest ingrijpende inzicht dat ik zag hoe weinig de mensen van toen verschillen met ons nu. Er brak een burgeroorlog uit, dus ik dacht eerst: welk inzicht misten die mensen dat wij nu wel hebben?
,,Ik was geschokt om te zien hoe intelligent en liberaal ze waren, hoeveel inzicht ze al hadden. Wij hadden de Tweede Wereldoorlog waar we ons gevoel van ‘niet vechten’ aan overhielden.
„Maar de laatste mensen die erbij waren overlijden nu of binnenkort. Voor je het weet verdwijnt die oorlog uit het lesprogramma van scholieren. Dat is onrustbarend, want er zijn sindsdien geen mechanismen geschapen die ons in de toekomst tegen iets dergelijks zullen beschermen.
„De acceptatie van populisme neemt toe. En dan heb ik het over populisme in de kwaadaardigste vorm: liegen, door simpele oplossingen te bieden voor complexe problemen. Oplossingen die niet kunnen werken.”
Waar gaat uw volgende boek over?
„Opnieuw over Spanje, maar dan over de periode rond 1100, als het Moorse kalifaat net uiteen is gevallen. Achteraf wordt de verdrijving van de moren door de christenen als een religieuze strijd bestempeld, maar in de praktijk was geloof voor geen enkele heerser een doel. Hooguit een middel om oorlog mee te voeren. Ik ga trachten om een coherent beeld te schetsen van die tijd.”
Copyright NRC Handelsblad BV
18-2-2011 - Arjen Fortuin
De gieren aten alleen officieren
In tijden van oorlog én van vrede laat Miquel Bulnes in zijn ijzersterke roman elke illusie varen
Tussen 1921 en ‘23 vochten de Spanjaarden tegen de Berbers in het Rifgebergte. Miquel Bulnes dook diep in de archieven en schreef daar ondanks een klinische aanpak een erg goede historische roman over.
Meestal doen schrijvers ongeveer wat je van ze verwacht. Zo ook Miquel Bulnes in zijn eerste drie romans, die zich allemaal in de medische wereld afspeelden. Hij liet in Zorg (2003), Lab (2005) en Attaque! (2007) zien een groot komisch talent te zijn, met gevoel voor running gags en oneliners van het soort: ‘Infectieziekten verspreiden zich tegenwoordig vooral via de media.’
Niets meer veranderen, lekker doorgaan, zou een literair agent zeggen. Vroeger of later worden zulke kwaliteiten door een breed publiek ontdekt en dan is je kostje gekocht: tv-optredentje, herdrukje, verfilminkje, columnpje. Doe in elk geval niets stoms. Dus niet: een historische roman schrijven over de politieke ontwikkelingen in een vreemd land (Spanje) in een periode waar niemand iets van weet (1921-1923) en daar evenveel ruimte voor nemen (620 bladzijden) als voor je vorige drie boeken samen.
Dat Bulnes (1976) grotere ambities had dan de medisch-komische niche in de letteren, werd al duidelijk in het tweede deel van Attaque! Daarin verplaatste de handeling zich van Nederland naar Madrid (waar Bulnes familie heeft wonen) en werd het verhaal grimmiger, gewelddadig ook. Eerlijk gezegd was dat niet het sterkste deel van het boek: de ironische subtiliteit leek Bulnes te verlaten wanneer het menens werd.
Menens is het zeker in Het bloed in onze aderen. De kortste samenvatting van Bulnes’ vierde roman is een zin zoals alle Spaanse schoolkinderen die moeten leren – en snel weer vergeten: ‘Er is een direct verband tussen El desastre de Anual, de smadelijke nederlaag tegen de Berberse opstandelingen in het Rifgebied in de zomer van 1921, en de staatsgreep van generaal Primo de Rivera twee jaar later.’ Die rechte lijn in de Spaanse geschiedenis heeft Bulnes proberen te vangen in een epos vol historische informatie, politieke intriges, opportunisme, couleur locale, eerzucht, moord en heldendom (dat laatste met name van een jonge prostituee). Belangrijker: het is een erg goed boek geworden.
De held van Bulnes’ vertelling is Augusto de Santamaría, een man die als officier is gelegerd in Noord-Afrika en daar strijd levert met de opstandelingen van Abd El-Krim. Het geeft Bulnes aanleiding tot een uitgebreide, fysieke beschrijving van de veldslagen waar Santamaría en zijn jonge kompaan Emilio Amores bij betrokken raken: door alle troepenbewegingen en hinderlagen waan je je niet in een Nederlandse roman, maar in een vergeten appendix van Oorlog en vrede. Waarbij Bulnes tussen de schotenwisselingen door tijd heeft om de jonge Amores te laten denken dat hij uiteindelijk banger is voor zijn superieuren dan voor de vijand. En hem dat even later in de loopgraaf gortdroog te laten herroepen: ‘Hij heeft zich zojuist vergist. Hij is wel degelijk banger voor de Berbers dan voor zijn kapitein.’
Hoewel de geleidelijke transformatie van de zachtmoedige Amores tot ijzervreter knap beschreven wordt, blijkt het geen opmaat tot een hoofdrol in de roman: Amores overleeft het Noord-Afrikaanse slagveld niet. Zijn kapitein is een van de weinigen die ontsnapt. Bij de val van Annual stierven 8.000 soldaten, volgens de legende lieten de gieren de lijken van de soldaten ongemoeid, zij hadden genoeg aan het vlees van de gesneuvelde officieren. Terug op ‘het schiereiland’ (Bulnes hanteert graag Spaanse aanduidingen, zoals ook ‘de graafstad’ voor Barcelona) wordt kapitein Santamaría bevorderd tot majoor en door corrupte collega’s geparkeerd bij de veiligheidsdienst in het centrum van Madrid.
Een van Santamaría’s eerste klussen daar is het oplossen van een moord in een bordeel, die al snel leidt tot een tweede moord – en een derde. Daarbij komt een oud schandaal, de daaruit voortvloeiende chantagepogingen en een lange reeks politieke intriges: het zijn de jaren waarin de verschillende vakbonden (neutraal, socialistisch en anarchistisch) elkaar op leven en dood bevechten, waarin conservatieven en progressieven in wisselende coalities delibereren over de noodzaak van een staatsgreep, een pronunciamiento tegen koning Alfonso XIII.
De verhaallijnen worden door Bulnes met grote vaardigheid in de hand gehouden, waarbij hij om de zoveel pagina’s zijn lezers bij de les houdt door een fysieke confrontatie. Wat dat betreft heeft hij goed gekeken naar schrijvers als Carlos Ruiz Zafón, zij het dat Bulnes niet geplaagd wordt door de neiging tot platheid en pathos die het werk van de Spaanse superseller vaak zo onverteerbaar maakt.
Bulnes moet zich op uitputtende wijze gedocumenteerd hebben voor Het bloed in onze aderen, het aantal verwijzingen naar waar gebeurde voorvallen, van stakingen tot rapporten van onderzoekscommissies, is indrukwekkend. Ook treedt er een groot aantal historische personages in op, zoals een legendarische Catalaanse kindermoordenares.
Het beeld dat Bulnes schetst van zijn personages (en vooral van die met een officiële positie) is illusieloos. Of het nu de anarchisten en republikeinen zijn of de aartsconservatieve katholieken, of alle facties die zich met groot aanpassingsvermogen daartussen bewegen, bij iedereen gaan de kleine gedachten vóór de grote idealen. Bulnes vermijdt nadrukkelijk de Hemingway-achtige romantiek die je vaak aantreft wanneer het over Spaanse republikeinen gaat (de periode die Het bloed in onze aderen beschrijft is óók het voorspel tot de Spaanse Burgeroorlog, die in 1936 begon). Tekenend is dat de meest prominente republikein een van de rijkste mannen in het boek is, en corrupt tot in zijn tenen.
Bulnes beschrijft de bende opportunisten met de klinische blik van een arts (wat hij óók is): hij signaleert gedragingen en laat ijskoud zien hoe men zijn eigen glazen ingooit, verblind door ijdelheid, luiheid of andere ondeugden. De aanloop naar de staatsgreep van Primo de Rivera beschrijft hij kolderiek: mannen van alle gezindten proberen coalities te smeden aan de vooravond van het onvermijdelijke pronunciamiento, maar niemand zet de eerste stap. Dat uiteindelijk de Barcelonese generaal Primo de Rivera de macht grijpt, komt alleen door de inertie van de anderen: het is als een schoolfeest waar een brommerjongen opduikt die het meisje meeneemt waar alle braveriken de hele avond omheen hebben staan dralen.
Een gevolg van die klinische aanpak is dat de diepe gronden van de personages amper aan de oppervlakte komen, voor grote psychologische inzichten of stilistische hoogstandjes hoeft niemand Het bloed in onze aderen te lezen. Maar meer is er niet aan te merken op deze ijzersterke historische roman, die het verdient om snel vertaald te worden. In elk geval in het Spaans.
Copyright NRC Handelsblad BV