23-9-2011 - Daan Stoffelsen
Een man verlaat zijn hotelkamer. Hij twijfelt. Moet zijn tas mee? ‘Alles zat erin, zijn gereedschap, schoon ondergoed, een nieuw overhemd, een spijkerbroek. Begraven op de bodem van de zak, gewikkeld in een paarse doek, lag het pistool waarvan hij het afgelopen jaar had gedacht dat het hem zou doden.’
Het uitgangspunt van dit verhaal van Charles D’Ambrosio (1958) zou bij een andere schrijver al het hele verhaal zijn. In die tas zit de toekomst, maar ook het verleden, een mensenleven op zich. Het pistool gaat als Tsjechovs geweer werken: er moet iets mee gebeuren.
De verwachtingen worden niet ingelost: geen dodelijk schot, maar de hotelgast blijkt een appel en een stuk kaas uit de supermarkt te stelen. Het drama van het verhaal (de ruzie van een gezin, het gevecht tussen collega’s) voltrekt zich buiten de hoofdpersoon om .
Het dodevissenmuseum is D’Ambrosio’s tweede verhalenbundel en net als in zijn debuut The Point (1995) zet hij zijn lezers graag op het verkeerde been. In elk van de acht verhalen introduceert hij een uitgangspunt en steeds blijkt de eerste beweging een schijnbeweging te zijn. De verwarring wordt vergroot doordat je maar één gezichtspunt kent, telkens van een eenling. Maar hun voortmodderen is uiterst sympathiek.
Neem het openingsverhaal, ‘De hoge pas’. Het gaat over een weesjongen die met een vriendje en zijn vader erop uit trekt om te gaan vissen, klimmen en om een kampvuur te maken. Mannen onder elkaar, net een gezin. Maar dan vertelt de vader zijn zoon dat hij wil scheiden, en ze eindigen de dag los van elkaar: de zoon huilend in de tent van zijn vader, de ik-figuur alleen.
Maar juist als je je hebt verzoend met de troosteloosheid, komt D’Ambrosio met een wending. Als de man en de twee jongens later die avond allemaal buiten staan, als bij toeval, ontstaat er iets dat de eenzaamheid en de ellende overstijgt: ‘Toen sloeg Donny, rillend van de kou, zijn armen om zijn lijf en riep: Hé, en we hoorden: Hé, hé, hé, en daarna riep ik: Hé, en zelfs meneer Cheetam deed mee, en we bleven maar horen: Hé, hé, hé, alsof daar miljoenen van ons te vinden waren.’
Samen ‘hé’ roepen; dat geeft troost, al zijn er geen garanties dat die troost blijvend zal zijn. Zo gaat dat steeds in D’Ambrosio’s verhalen: ze zijn nooit in één zin te vatten, met een aangename complexiteit.
Neem de paradoxale beschrijving van het wapen in de tas uit het verhaal hierboven over de hotelgast: ‘Het pistool was zijn eeuwige vijand, als een drug, een diep geheim dat hij verborgen hield voor anderen, maar het was ook zijn hartstocht, het theater waar hij zijn eenzame passie in botvierde, scenario’s repeteerde, speelde met mogelijkheden.’
Een pistool dat een vat van mogelijkheden is, maar uiteindelijk een decorstuk wordt. Aan het einde is iedereen weg, alle drama is verdwenen. Het pistool ook.
Copyright NRC Handelsblad BV