Volg ons op

Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Het kind en ik
 

Het kind en ik

Hans van Mierlo
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 14,90
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
Het kind en ik
ISBN/EAN 9789023466796
Dikte (in mm): 12
Gewicht in (in gram): 183
Hoogte (in mm): 203
Breedte (in mm): 127
Bindwijze: Hardback
Aantal pagina's: 92
Genre: Literaire non-fictie
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20110301
Auteur: Hans van Mierlo
Print dit artikel
10-3-2011 - Hubert Smeets
In de berm van de wereldgeschiedenis
Mooie minimemoires van Hans van Mierlo (1931-2010)

In de zomer van 2008 begon politicus Hans van Mierlo aan zijn memoires. Bij zijn overlijden in 2010 liet hij maar tachtig pagina’s na. Zonde, had hij maar meer geschreven.

Het moderne Nederland, dat nu zo met zichzelf in de knoop zit, is gemaakt door een generatie voor wie de Tweede Wereldoorlog het begin van haar denken was. Dit moderne Nederland, dat heeft bestaan tussen het conceptuele jaar 1966 en het terminale jaar 2002, kreeg vorm dankzij de laatste vooroorlogse generatie, wier kindertijd of puberteit was getekend door de bezetting. De oorlog was dé gemeenschappelijke ervaring van de dominerende politici tijdens de ‘Nederlandse omwentelingen’ in het laatste kwart van de vorige eeuw.
Dries van Agt (1931) werd de premier die tussen 1977 en 1982 de overgang van de driftige naar de stabiliserende fase met Ruud Lubbers (1939) moest begeleiden, zoals Ed van Thijn (1934) de geest van de jaren zestig in de PvdA had gekanaliseerd. Frits Bolkestein (1933) werd de schaduwpremier die de paarse afronding onder Wim Kok (1938) mogelijk maakte. Hans van Mierlo (1931) was al die 35 jaar de inspirator van de betrokken burgers die ijver en verantwoordelijkheidsgevoel wilden combineren met culturele verheffing en een beetje bohémien.
In zijn morgen te verschijnen Het kind en ik markeert Van Mierlo de bezettingstijd ook als ijkpunt. ‘Voor wie de leeftijd ervoor heeft is er een leven vóór de oorlog, een ín de oorlog en een ná de oorlog. Een niet meer weg te branden indeling van je leven, zeker voor de bevoorrechten die er ongedeerd zijn uitgekomen, zoals ik. [...] Geen verdriet dus, wel angst, felle angst soms en een latente spanning en opluchting als een gevaar geweken is. De herinnering aan die gevoelens wijkt nooit meer en maakt de oorlog tot een geschenk voor het leven.’
Van Mierlo is hiermee zeker niet de eerste. Harry Mulisch, Jan Blokker en Henk Hofland (allen 1927) deden het vaker en explicieter. Hoewel de formulering ‘geschenk voor het leven’ mij, circa 25 jaar jonger dan Van Mierlo, net iets beter bevalt dan het ‘ik bén de Tweede Wereldoorlog’ waarmee Mulisch zichzelf definieerde.
In Het kind en ik beschrijft Van Mierlo zijn jeugd in Breda als zoon van een industrieel (vader) en bankiersdochter (moeder) die hun acht kinderen goedburgerlijk katholiek opvoeden, terwijl de oorlog nadert. ‘Die man gaat ons kwaad doen’, zegt z’n vader na het horen van een redevoering van Hitler op de radio.
Als dat bewaarheid wordt, is het gezin Van Mierlo in verwarring. Voordat het in mei 1940 op de vlucht slaat, vernietigt zijn vader eerst alle mooie flessen in de kelder, om te voorkomen dat de Duitsers het op een zuipen kunnen zetten. ‘Ik denk dat het vooral patriottisme was’, schrijft Van Mierlo. Maar ook een lichte besmetting met xenofobie. ‘De Duitsers’, zo zei hij, ‘zijn erg, maar ze houden de Russen tegen en die zijn nog erger en die houden de Chinezen tegen en die zijn het ergst: het gele gevaar!’
Tijdens de bezetting zou vader Van Mierlo trouw blijven aan zichzelf. ‘Het was duidelijk dat de Duitsers niet gesteld waren op joden’, schrijft Van Mierlo. ‘Maar de band met een groot drama werd nauwelijks gelegd, waarschijnlijk vooral uit laakbare onverschilligheid. Bovendien passeert een vooropgezet plan om een heel volk uit te moorden ruimschoots de grenzen van de verbeelding en zeker die van een kleinburgerlijk volk, dat innig tevreden met zichzelf en vervuld van neutralisme ingeslapen ligt in de berm van de wereldgeschiedenis.’
De berm van de wereldgeschiedenis – het is van een metaforische helderheid waarop Van Mierlo patent had en waarvan hij in die kleine tachtig pagina’s weer blijk geeft. Zo noemt hij de gestaalde Israëlische premiersvrouw Lea Rabin een ‘roofdier in een goede bui’. Het is zomer 2008 als hij dit schrijft. Het lijkt onbestaanbaar dat Van Mierlo ruim twintig jaar eerder de politiek tijdelijk heeft verlaten omdat hij leed aan ‘woordhaat’, een ‘diepe afkeer van de taal’, zoals zijn weduwe Connie Palmen het noemt in haar roerende inleiding.
Maar het is niet zo onbegrijpelijk. Van Mierlo sprak niet alleen over paradoxen. Hij was het volgens Palmen zelf ook. ‘Een man die nergens trots op is omdat hij nooit iets heeft gewild, een gelovige die boos is op God omdat Hij niet bestaat, een twijfelaar die moeilijke beslissingen kan nemen, [...] een pretentieloze streber, vol van het verlangen een geniaal meesterwerk te schrijven en gehinderd door de angst het talent daarvoor te ontberen.’
Dat mag zo zijn, het is toch ook een godgeklaagd schandaal dat hij zo weinig op papier heeft nagelaten. Dit najaar verschijnt weliswaar postuum Een waanzinnig avontuur met politieke, culturele en literaire beschouwingen. Maar luiheid of angst, Van Mierlo had zijn schrijvende plicht jegens de geëngageerde burgerij moeten vervullen. Net zoals zijn generatiegenoten Bolkestein en Van Thijn. Nu moeten we het doen met mooie minimemoires, met een nooit meer in te lossen belofte van meer herinneringen.
Echte memoires zouden een verrijking van de Nederlandse geschiedschrijving zijn geweest.
Goed voor de mythe die Van Mierlo ook was? Nee. Gewoon doodzonde.

Copyright NRC Handelsblad BV