Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Het zijn net mensen
 

Het zijn net mensen

J. Luyendijk
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 18,00
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
‘Een uitstekend schrijver. Joris Luyendijk denkt, zoekt en schrijft met de onbevangenheid van iemand die nog geen kant heeft gekozen in een uitzichtloos conflict.’ Jury Gouden Pennetje
ISBN/EAN 9789057593161
Dikte (in mm): 20
Hoogte (in mm): 211
Gewicht in (in gram): 332
Breedte (in mm): 141
Taal: Nederlands
Bindwijze: Paperback
Genre: Mens en maatschappij algemeen
Aantal pagina's: 220
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20060711
Auteur: J. Luyendijk
Print dit artikel
27-8-2010 - Elsbeth Etty
Naïef op het juiste moment
De beste boeken van de jaren nul, aflevering 9: ‘ Het zijn net mensen’ (2006) van Joris Luyendijk

‘Het zijn net mensen’ van Joris Luyendijk werd een bestseller. Het verscheen in 2006, toen de media onder vuur lagen en iedereen journalistiek leek te kunnen bedrijven.
Toen Joris Luyendijk (1971) in 1998 door de Volkskrant en het Radio 1 Journaal werd gevraagd als correspondent voor het Midden-Oosten, had hij geen enkele journalistieke ervaring. Maar twee dingen had hij vóór op de meeste van zijn door de wol geverfde collega’s van andere media: hij beheerste het Arabisch en hij had een onbevangen, open blik, niet gehinderd door allerlei conventies die zelden ter discussie worden gesteld. Na vijf productieve jaren waarin hij de Volkskrant en Radio 1 had verruild voor NRC Handelsblad en het NOS-journaal en Kaïro voor het bezette deel van Jeruzalem, beschreef hij zijn ervaringen in het zelfkritische boek Het zijn net mensen.
In eerste instantie bedoelt hij met de titel de bevolking van de ramp- en oorlogsgebieden waar hij als correspondent door zijn opdrachtgevers naartoe werd gestuurd. Hij kwam er achter dat de massamedia van die mensen karikaturen maken en dat je daar als verslaggever, hoe integer je ook bent, niets tegen kunt doen. In dictaturen kun je sowieso geen authentiek, laat staan neutraal of objectief nieuws melden: iedereen liegt, is bang of is van de geheime dienst. En democratieën als Israël en de VS voeren hun oorlogen ook op het slagveld van de media.
Dat is oud nieuws en al vaker beschreven door internationaal gerenommeerde journalisten en mediadeskundigen. Wat Luyendijks boek bijzonder maakt, is dat ‘Het zijn net mensen’ niet alleen betrekking heeft op de slachtoffers van rampen, oorlogen en totalitaire regimes in het Midden-Oosten, maar ook op journalisten.
Luyendijk schroomde niet om zichzelf te kijk te zetten als gewoon mens, iemand die was ingehuurd om de waarheid te vertellen, de ‘macht’ te controleren en deskundig commentaar te leveren, terwijl hij daar geenszins toe geëquipeerd was. Zonder blikken of blozen zette hij voor radio of televisie zijn ‘deskundige stem’ op om te vertellen wat van hem werd verwacht. De kijkers moesten maar aannemen dat zijn commentaar bij de meestal gemanipuleerde beelden ‘waar’ was. Met aansprekende voorbeelden toonde hij aan dat hij zijn publiek had bedrogen en dat álle correspondenten, zo niet álle journalisten dat dag in dag uit doen. Journalisten, het zijn net mensen.
Hoeveel werknemers in het bank- en verzekeringswezen, het onderwijs, de gezondheidszorg, de zakenwereld zijn niet dagelijks bezig om tegen wil en dank, omdat ‘de organisatie’ of ‘het mechanisme’ nu eenmaal zo werkt, de hand te lichten met de waarheid? En wat willen we daar graag over lezen, zeker als iemand ‘van binnenuit’ de pretenties van opgeblazen professionals kan doorprikken. Toen het boek verscheen, lagen in het verlengde van 9/11 en de leugens over de Irak-oorlog de media internationaal onder vuur. In Nederland hadden vooral de kwaliteitsjournalistiek en de publieke omroep het te verduren. Populistische stromingen hadden het bij uitstek gemunt op deze media die zichzelf onafhankelijk en kritisch noemden, maar in werkelijkheid een steunpilaar van de ‘linkse kerk’ of ‘de elite’ waren. Internetsites als GeenStijl wekten de indruk dat kwaliteitsjournalistiek een grote leugen was, dat journalistiek geen vak is, maar een hobby waarmee iedere amateur met een grote bek kan scoren.
Liegen en bedriegen
Het zijn net mensen verscheen in 2006 en viel nagenoeg samen met de aankondiging dat Joris Luyendijk het prestigieuze VPRO-programma Zomergasten zou presenteren. Zo werd de auteur bekend bij een breed publiek, wat extra aandacht opleverde voor zijn ontwapenende kritiek op de media. Het boek werd een bestseller, waarvan in twee jaar tijd meer dan 200.000 exemplaren werden verkocht; het kreeg de journalistieke Dick Scherpenzeelprijs en de NS-Publieksprijs. Ook in kringen van journalisten werd Het zijn net mensen onderwerp van discussie en daarmee aanleiding tot zelfreflectie.
In 2008 verscheen de bundel Het maakbare nieuws. Antwoord op Joris Luyendijk onder redactie van de NOS-redacteuren Monique van Hoogstraten en Eva Jinek waarin buitenlandcorrespondenten schreven over journalistieke dilemma’s en valkuilen en hun strategieën om daarmee om te gaan. De belangrijkste kritiek op Luyendijk stond in de eerste zin van de inleiding: ‘Het is jammer dat hij aan zijn correspondentschap begon voordat hij journalist was.’
Maar deze naïviteit is de reden waarom het boek zo aantrekkelijk bleek voor buitenstaanders die met achterdocht naar ‘de media’ kijken. Luyendijk valt van de ene verbazing in de andere als hij bijvoorbeeld het bestaan van persbureaus ontdekt, of de filters waar het nieuws doorheen gaat. Voor vakjournalisten, die zich moeten verdedigen tegen populistische kritiek dat ze liegen en bedriegen in dienst van de elite, is Luyendijks naïviteit behoorlijk ergerlijk, aan de andere kant is reflectie op het eigen functioneren in een zo snel veranderende discipline als de journalistiek hard nodig. De roep om meer transparantie is begrijpelijk en zinvol.
Ex-correspondenten die Luyendijks boek recenseerden, betreurden dat hij, juist in een tijd dat media bezuinigen op dure buitenlandcorrespondenten, de opvatting uitdraagt dat berichtgeving vanuit dictaturen onmogelijk is. Maar wie, zoals veel omroepbazen en krantenuitgevers, denkt dat correspondenten best wegbezuinigd kunnen worden, moet Flat Earth News van de Britse journalist Nick Davies lezen dat twee jaar na Het zijn net mensen verscheen. Wat Luyendijk schrijft over (overbodige) buitenlandcorrespondentie, wordt door mediatycoons even vrolijk toegepast op de lokale, regionale en nationale berichtgeving. Als vakmensen worden wegbezuinigd omdat de waarheid toch niet te achterhalen is, blijven er op de redacties slecht betaalde amateurs over die de kolommen en rubrieken vullen met teksten van voorlichters en reclamemakers.
Behalve naïviteit is Luyendijk waarheidsrelativisme verweten. Luyendijk wil dat compenseren door het publiek te laten delen in twijfels, fouten en onvermijdelijke beperkingen in de berichtgeving. Dat levert een vorm van ‘metajournalistiek’ op die wordt uitgeoefend in columns van ombudsmannen en die Luyendijk zelf uitprobeerde in zijn rubriek in het Weekblad van deze krant. Maar of zo’n vorm van publieke zelfreflectie de journalistiek vooruit helpt is de vraag. Voor harde onderzoeksjournalistiek of ‘gewoon’ adequate verslaggeving is meer vereist dan zelfrelativering en transparantie.

Copyright NRC Handelsblad BV
30-6-2006 - Michiel Leezenberg

Het verhaal wordt zowel over het Egyptische staatshoofd Mubarak als over Assad in Syrië en Saddam Hoessein in Irak verteld. De uitslag van de laatste presidentsverkiezingen is binnengekomen. Een medewerker: ‘Excellentie, op 250 mensen na heeft iedereen op u gestemd. Wat wilt u nog meer?’ De president: ‘Hun namen.’ Dit is maar één van de vele Arabische politieke moppen en anekdoten in Het zijn net mensen, het nieuwe boek van Joris Luyendijk, voormalig correspondent in het Midden-Oosten voor onder meer NRC Handelsblad en aanstaand presentator van Zomergasten. De grappen geven meteen een idee van Arabische politiek en van de problemen waarop de journalistieke berichtgeving over het Midden-Oosten stuit.

Luyendijks hoofdthema is de verhouding tussen beeld en werkelijkheid, die in de journalistieke berichtgeving over de Arabische wereld nog schever is dan elders. Eén probleem is dat journalisten uitzonderingen voorstellen als de regel. Is een situatie, hoe ernstig ook, een alledaags gegeven, zoals de explosieve bevolkingsgroei in de Arabische wereld, de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, en de burgeroorlog in Soedan, dan is het geen nieuws. Een ander probleem is de taalbarrière: veel buitenlandse correspondenten beheersen geen Arabisch en hebben meer contact met elkaar dan met lokale politieke elites of bevolking.

De belangrijkste moeilijkheid is volgens Luyendijk echter het feit dat de meeste Arabische staten dictaturen zijn, maar in de media worden beschreven in termen van functionerende democratieën. Journalisten spreken over verkiezingen, parlementen en publieke opinie, maar veel minder over de greep die veiligheidsdiensten, corruptie en propaganda op de bevolking hebben. Dat kan ook moeilijk anders, omdat ze van diezelfde regimes afhankelijk zijn voor visa en perskaarten. Volgens Luyendijk zijn de angst en corruptie die in dictaturen overheersen de belangrijkste filters die de berichtgeving over het Midden-Oosten vervormen. Zo bleek het voor journalisten onmogelijk om door de muur van Saddams propaganda heen te breken, een enkeling daargelaten, zoals de Brit Sean Langan, die in zijn eentje maandenlang met een videocamera door Irak rondliep. Even vermakelijk als pijnlijk zijn Luyendijks passages over de buitenlandse journalisten die urenlang gezamenlijk in hun hotellobby zitten te wachten, voor ze door lokale persvoorlichters gezamenlijk per bus naar hun – zorgvuldig van de plaatselijke bevolking afgeschermde – reisdoel worden begeleid, alsof ze een schoolreisje aan het maken zijn.

Perscircus

Andere filters voor de westerse media, zoals de druk van de kijkcijfers, hebben volgens Luyendijk echter niets met de dictatoriale regimes van de Arabische wereld te maken. Ook in Israël, waarover Luyendijk geruime tijd berichtte terwijl hij als correspondent in Oost-Jeruzalem woonde, is censuur niet het hoofdprobleem. Anders dan zijn Arabische buurlanden, is Israël een democratie. Maar dat betekent niet noodzakelijk dat de pers het hier gemakkelijker heeft. De Israëlische regering heeft een geoliede voorlichtings- en propagandamachine, terwijl de Palestijnse voorlichters vaak zelf niet weten wat er aan de hand is. Daardoor zijn hier de media volgens Luyendijk minder een beschrijvend doorgeefluik van, maar eerder een wapen in het conflict.

In zijn kritiek op zulke vervormingen ontziet Luyendijk ook zichzelf niet. Ontwapenend beschrijft hij hoe je als journalist maar al te gauw uit onwetendheid, haast, frustratie of gemakzucht wordt meegesleept in het vervormende perscircus. Hij trekt de pessimistische conclusie dat in de huidige media-oorlog Oost en West alleen maar verder uit elkaar worden gedreven. Die constatering is niet opwekkend, maar wel belangwekkend. Wie graag wil blijven geloven dat de westerse media zonder meer vrij zijn en dat televisiebeelden gewoon de feiten weergeven, kan zijn boek maar beter niet ongelezen laten. In Luyendijks verhaal ontbreekt echter één, steeds belangrijkere factor: de Arabische media. Pas in de allerlaatste bladzijden van zijn boek bespreekt hij kort de alternatieve, vaak misselijkmakende beelden die dankzij zenders als Al-Jazeera de Amerikaanse propaganda over de Irak-oorlog ontkrachten. Over deze media verscheen onlangs Voices of the New Arab Public van de Amerikaanse politicoloog Marc Lynch, dat zo een mooie aanvulling op Luyendijks uiterst leesbare verhaal vormt.

Al dikwijls is betoogd dat de Arabische wereld geen kritische en onafhankelijke pers kent, en gekenmerkt werd door een rigide nationalistische (of zelfs antisemitische) ideologie. Lynch laat een positiever geluid horen. Het aanvankelijk vrij liberale karakter van de nieuwe Arabische media werd volgens hem gesmoord in de steeds sterker wordende populistische en nationalistische retoriek waarvan de Egyptische president Nasser de pionier was. In de jaren zeventig en tachtig bereikte de staatsinvloed op de publieke sfeer er een hoogtepunt, via staatspropaganda, censuur en repressie. Debat en kritiek waren echter nooit helemaal afwezig. Het beste bewijs daarvoor zijn de talloze moppen over de eigen politieke en religieuze leiders die in de Arabische wereld circuleren; de meeste daarvan zijn overigens aanzienlijk grover dan de grappen die Luyendijk aanhaalt.

`Jihad-tv`

De jaren negentig zagen de ontwikkeling van een nieuwe en meer open publieke sfeer, waarin met name satelliettelevisie tot een nieuwe macht van belang werd. Sterker dan voorheen konden Arabische regimes worden gekritiseerd. Ook ontstond er meer ruimte voor een dialoog met het Westen. Voor Lynch is Al-Jazeera het symbool en de belangrijkste vertegenwoordiger van deze nieuwe Arabische publieke sfeer. De zender werd beroemd door zijn live verslaggeving van de Palestijnse opstand en van de oorlogen in Afghanistan en Irak.

De zender valt niet af te doen als ‘jihad-tv’ of pro-Arabische propaganda. Als privé- satellietkanaal kan Al-Jazeera gemakkelijker kritiek uiten op alle Arabische regimes. Vooral in discussieprogramma’s werd en wordt met ongekende openheid over politiek gesproken. Niet alleen verschenen Arabische gasten van tegengestelde ideologische overtuigingen in de studio, ook konden kijkers live en zonder censuur een telefonische bijdrage leveren. Dat leidde nogal eens tot verrassingen. Zo klaagden de eerste Iraakse stemmen die na de val van Baghdad vrijuit konden spreken minder over de Amerikaanse bezetting dan over het falen van Arabische staatshoofden en media om krachtiger op te treden tegen de gruwelijke dictatuur van Saddam.

Lynch’ boek beschrijft hoe de nieuwe Arabische media weliswaar opener zijn, maar zich slechts ten dele hebben losgemaakt van de aloude anti-imperialistische, anti-Israëlische en Arabisch-nationalistische retoriek van hun regimes. Paradoxaal genoeg heeft de globalisering het Arabische culturele nationalisme juist versterkt. Daardoor klinkt Lynch’ slotpleidooi voor een constructieve dialoog tussen Amerikanen en Arabieren weliswaar lovenswaardig maar ook wat naïef; de bestaande taalkundige en ideologische barrières zijn gewoon te hoog. Met name de publicatie van foto’s van martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis heeft de Amerikaanse aanwezigheid in Irak, en daarmee het westerse liberale vertoog van democratisering en mensenrechten, ernstig in diskrediet gebracht.

Vrijere media versterken dus niet noodzakelijk liberale idealen en wederzijds begrip. Soms wakkeren ze zelfs nationalistische of zelfs xenofobe sentimenten aan, zoals tijdens de polemiek over Deense Mohammed-cartoons, waarin juist de gematigder stemmen door populisten aan beide zijden werden overschreeuwd. Misschien is Luyendijks diepe pessimisme nog te voorzichtig uitgedrukt.

Verder lezen

Edward Said: Covering Islam. How the Media and the Experts Determine How We See the Rest of the World. Vintage Books, 1997

Nieuwe uitgave van een van de eerste studies op dit gebied, die inmiddels wel wat verouderd en al te polemisch aandoet.

Dale Eickelman en Jon W. Anderson (eds.): New Media in the Muslim World. The Emerging Public Sphere (2nd ed. Indiana University Press, 2003)

Academische artikelen over de nieuwe openbare stemmen in het Midden-Oosten.

Mohammed el-Nawawy en Adel Iskandaar: Al-Jazeera (Westview Press 2003). Kritische studie over het belangrijkste Arabischtalige satellietkanaal.

Zemzem, nummer 3. Nederlandstalig tijdschrift over de islamitische wereld; dit nummer besteedt speciale aandacht aan media in en over de Arabische wereld.



Copyright NRC Handelsblad BV