18-3-2011 - Steinz, Pieter
Boekarest, Straat van de Overwinning
‘The Master is at hand.’ De beroemde woorden uit Bram Stokers vampierkroniek Dracula krijgen hier, in de hoofdstad van Roemenië, een letterlijke betekenis. In het Nationaal Kunstmuseum loopt de tentoonstelling Dracula, voivode en vampier ; en overal in de stad kom je de beeltenis van de 15de-eeuwse graaf Vlad III Dracula (‘de zoon van de Draak’) tegen. Een jong gezicht, met grote groenbruine ogen, mooie ronde wenkbrauwen en een scherpe puntige neus. Zijn bovenlip is verborgen achter een sigaarvormige, perfect spiralende snor, die aangepast lijkt aan zijn lange pijpekrullen. Hij draagt een rood wambuis en een bontjak waarvan het boordje zijn hals bloot laat.
Elegantie is het enige wat deze Vlad gemeen heeft met de Dracula die we kennen uit Stokers roman en de vele verfilmingen ervan. Net als de Hongaarse acteur Béla Lugosi en de Brit Christopher Lee straalt hij aristocratie uit; maar hij oogt op geen enkele manier angstaanjagend. Zijn tanden gaan schuil achter een volle onderlip, zijn oren onder zijn haar, het wit van zijn ogen is niet bloeddoorlopen en zijn gezichtsuitdrukking is niet maniakaal maar melancholiek.
Dit is Vlad III zoals de Roemenen hem het liefst zien. Niet als de horrorfiguur in de zwarte cape die dankzij Hollywood de wereld is overgegaan. Niet als de middeleeuwse wreedaard die zijn bijnaam Tepes, ‘de Spietser’, dankte aan zijn favoriete executiemethode; niet als een voorafspiegeling van die andere beruchte Roemeense tiran, Nicolae Ceausescu. Maar als de strenge doch rechtvaardige ‘voivode’ (vorst) van Walachije die tegen de Turken vocht en rond 1460 het Duitse Transsylvanië onderwierp. Een natiebouwer wiens levenswerk gedwarsboomd werd door machtige keizers en weerspannige edelen. En niet te vergeten de vorst die geldt als de officieuze stichter van de hoofdstad. Rond 1460 bouwde de voivode er een residentie, waarvan de resten te zien zijn in een keurig aangeharkt parkje in het oude centrum. Een bronzen borstbeeld van een barse Vlad kijkt er neer op de archeologische vondsten.
Boekarest, Nationaal Kunstmuseum
Het is donker in de zijvleugel van het voormalige Koninklijk Paleis; de Roemeense tentoonstellingsbouwers konden kennelijk de verleiding niet weerstaan om Dracula met mysterie te omgeven. Ook niet om hem te verbinden met het vampirisme, zo blijkt wanneer mijn ogen aan het zwakke licht gewend zijn. Nog voor ik aanloop tegen een portret-ten-voeten-uit van de voivode – parelmuts, superknevel, bontkraag, kromzwaard – heb ik al moeten lezen hoe het beeld van de historische Vlad III is vertroebeld door twee mythes: die van de extreem wrede heerser die 15de-eeuws Walachije terroriseerde, en die van de bloedzuigende ‘ondoden’ die de randen van het Oostenrijks-Hongaarse rijk onveilig maakten. Onzin allebei, zo wil deze expositie duidelijk stellen; Vlad was een ‘gewone’ middeleeuwse despoot en vampiers – die pas in de 18de eeuw doordrongen in de volkscultuur – bestaan niet. Beide mythes stoelen op vooroordelen tegen het zogenaamd barbaarse oosten, later op anti-Russische sentimenten van de Habsburgers en de Engelsen, en het was Bram Stoker die ze op een onvergetelijke manier met elkaar verbond.
Hoe dat laatste in zijn werk ging, wordt onder meer geïllustreerd door een bladzijde uit de getypte aantekeningen voor de roman die Stoker oorspronkelijk Count Wampyr wilde noemen. De bron is een reisboek van de ex-consul in Roemenië, die uitlegt dat dracula in de Walachijse taal ‘duivel’ betekent maar ook dat een van de felste bestrijders van de opdringerige Turken in de 15de eeuw zo heette. Stoker besloot de naam van zijn graaf te veranderen en maakte zijn antiheld tot een vampier, een sprookjesmonster dat zichzelf kan veranderen in een vleermuis en een wolf en dat zich voedt met het bloed van jonge vrouwen. Stoker en zijn tijdgenoten kenden het type uit de tachtig jaar oude griezelroman The Vampyre (van Lord Byrons vriend John Polidori) en uit de vele klonen die daarop volgden: levend in de nacht, niet zichtbaar in de spiegel, bang voor knoflook en kerksymbolen, alleen te verdelgen met een staak door het hart.
Die spies, daarin zit de connectie met Vlad Tepes. Alleen placht hij zijn tegenstanders anders te doorboren, zoals te zien is op verschillende houtsneden die de kronieken over zijn heerschappij illustreren. Zij kregen in hun anus een houten paal, die vervolgens rechtop werd gezet. De zwaartekracht deed de rest van het werk, vaak bijzonder langzaam. Een gruwelijke methode, maar geen uitvinding van Vlad, aangezien zowel de Turken als de Hongaren er al jarenlang verraders mee executeerden. Vlad paste hem alleen op grote schaal toe, als we tenminste de Duitstalige bronnen mogen geloven waarin Vlad vrolijk zit te ontbijten in het zicht van de massaslachtingen.
De Dracula-tentoonstelling in Boekarest komt uit op een filmzaaltje, waar de aandacht meteen getrokken wordt door een compilatie van enkele van de naar schatting 150 Draculafilms. Een flink aantal ervan is erotisch geladen, net als sommige scènes uit de roman van Stoker, die maar al te goed de dubbele betekenissen inzag van jonge vrouwen in nachthemden, tall dark strangers, beten in de nek en uitvloeiende lichaamssappen. Maar geen ervan had de invloed van de eerste Stoker-verfilming, Nosferatu uit 1922 – althans niet op de filmgeschiedenis en op het collectief bewustzijn. F.W. Murnau, een van de meesters van de zwijgende film, maakte van zijn Symphonie des Grauens een expressionistisch schaduwspel, extra sfeervol doordat het op locatie werd opgenomen in de Karpaten.
Toch heeft noch Nosferatu noch een van de filmfragmenten de impact van de laatmiddeleeuwse voorstellingen van Vlads wreedheid. Ik loop nog een keer naar de houtsnede met de gruwelijke ontbijtscène aan het begin van de tentoonstelling. Het bos van gespietsten aan de rechterhand van de etende Vlad is al gruwelijk genoeg, maar de voorgrond slaat alles: een slager is bezig om een drietal gestorvenen in mootjes te hakken; in een pan op het vuur ligt een afgehakt hoofd. Te stoven? Om vervolgens opgediend te worden? Het is duidelijk dat Vlads tegenstanders de voivode ertoe in staat achtten.
Snagov, meer en klooster
Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Het einde van Vlad Tepes was ontijdig en roemloos. Toen hij voor de derde keer vorst van Walachije was geworden en optrok tegen de Turken, werd hij door zijn eigen mensen gedood – niemand weet of het verraad was of een vergissing op het slagveld. Zekerder is dat zijn hoofd op last van de Walachijse troonpretendent werd afgehakt, geprepareerd en naar sultan Mehmet gezonden. Zijn lichaam werd begraven in het klooster van Snagov, een eilandje in een meer op een kilometer of veertig boven Boekarest. Krijgsgewoel en aardbevingen hebben weinig van het oorspronkelijke complex overgelaten, maar bij opgravingen in 1935 werden onder het altaar van de kloosterkerk inderdaad de resten van een edelman zonder hoofd gevonden. Reden genoeg om van Snagov een bedevaartsoord op de Dracula-route te maken.
„Discovery Channel is hier onlangs nog geweest”, zegt een man bij de steiger waar ik een boot heb gehuurd. Zelf roeien is verboden, en voordat er een schipper was opgetrommeld, heb ik uitgebreid de gelegenheid gehad om kennis te maken met een ex-communistisch vakantieoord. Het Complex Astoria – ligstoelen, terrassen en grasvelden met picknickplaatsen – is op deze maandag praktisch verlaten, en maakt ondanks het mooie weer een troosteloze indruk. Een kwartier later zal ik van de schipper van de motorboot horen dat de meeste mensen hier komen om zich te vergapen aan het jaren-dertigpaleis op de andere oever dat een van de residenties van Ceausescu was. Tijdens de revolutie van 1989 was het zijn eerste stop op de vlucht uit Boekarest per helikopter.
Het is maar tien minuten varen naar het groene eilandje waar drie romaanse torentjes bovenuit steken. We leggen aan bij een plankier en ik wandel over een paadje naar het kloostercomplex, dat bestaat uit een kerk, een poortgebouw, een bijhuisje en iets verderop een boerderij. Het hele eiland kun je in minder dan een kwartier rondlopen, en dat is op zijn zachtst gezegd een verrassing. Ik had een heel ander beeld gekregen uit Wolfsroedel (2002) van Floortje Zwigtman, een vaak bekroond jeugdboek over Vlad en zijn broer Radu dat zich voor een belangrijk deel op Snagov afspeelt. Zwigtman is een fantasyschrijfster, dus anything goes; maar het lijkt erop dat ze de locatie van Wolfsroedel niet zelf in ogenschouw heeft genomen: uit de roman kreeg ik het idee dat het geheimzinnige eiland ten minste tien keer zo groot was. Op het reëel bestaande Snagov is simpelweg te weinig ruimte om avonturen te beleven.
Het eilandje lijkt uitgestorven, maar wanneer ik aan de deur van de overgerestaureeerde kloosterkerk rammel, komt er snel een jongen aanlopen. Geen monnik, zoals ik verwacht had, maar een gids die graag nog een toegangskaartje verkoopt voordat hij naar de wal terugvaart met een groepje andere toeristen. Een dure folder geeft uitleg bij de drukke, slecht verlichte schilderingen aan de binnenkant van de Byzantijnse kerk, maar daar kom ik niet voor. Mij gaat het om het graf van Vlad III Dracula bij het altaar, een grijze steen van het formaat van een matras. Er staan wat kaarsenhouders en waxinelichtjes op, plus een ovaal reliëfportret van de voivode in een lijstje.
Een paar minuten later zit ik weer – met verplicht reddingsvest – in de boot en varen we langs de andere kant van het eiland terug. De noordelijke oever van het meer blijkt nog geen vijftig meter van het eiland af te liggen, en het verbaast me dan ook niet dat er een voetgangersbrug in aanbouw is. Wanneer we de verroeste pijlers en resten gewapend beton passeren maakt de schipper met handen en voeten duidelijk dat de onvoltooide brug de enige herinnering is aan het grote Dracula-attractiepark dat hier tegenover het eiland had moeten verrijzen. Het Disneyland-achtige plan werd definitief afgeblazen in 2006, zodat de rust van Vlad Tepes de komende decennia gewaarborgd is. Dat wil zeggen: zolang Snagov niet wordt getroffen door een verwoestende aardbeving, zoals in 1940, toen alleen de middelste toren van het klooster overeind bleef staan.
Kasteel Bran en Targoviste
‘Ik kon geen kaart of gids vinden die de precieze locatie gaf van Kasteel Dracula’, schrijft Jonathan Harker, de hoofdpersoon van Stokers Dracula, in zijn eerste dagboekaantekening. Iets later blijkt dat het grafelijk slot ergens in de Karpaten ligt, op de grens van Transsylvanië, Moldavië en Bukovina. Ver van Boekarest, Sibiu of een van de andere toeristensteden in Roemenië. En dus moest de nationale VVV onder Ceausescu op zoek naar een beter bereikbaar kasteel, ook al omdat de échte paleizen van Vlad – in Boekarest, Targoviste en Poienari – in ruïneuze staat verkeerden. De keuze viel op het kasteel bij Bran, dertig kilometer van de toeristenmagneet Brasov en in de 14de eeuw door de Saksen gebouwd in een Transsylvaanse bergpas. Bijkomend voordeel: niet al te ver van het werelderfgoedstadje Sighisoara, een goed geconserveerde Saksische citadel waar je matige vleesspiezen kunt eten in Vlads geboortehuis.
Dat Vlad Dracula met het kasteel van Bran weinig te maken heeft – hij kan het belegerd hebben toen hij in 1460 de Saksen probeerde te onderwerpen – mag de pret niet drukken. Geen toeristenbus of hij doet het stadje in de Transsylvaanse Alpen aan. Wie niet geïnteresseerd is in de Disney-versie van Dracula, kan altijd naar Targoviste. De industrieplaats aan de voet van de Karpaten was twee eeuwen lang de hoofdstad van Walachije. Vlad groeide er op aan het hof van zijn vader; hij werd er gekroond in 1456; nam er drie jaar later bloedig wraak op de Walachijse edelen die twaalf jaar eerder zijn vader en oudste broer hadden vermoord; en liet in 1462 voor de muren van de stad twintigduizend krijgsgevangenenspietsen om de binnengevallen Turkse troepen af te schrikken. Targoviste is een plaats van gruwelen; als om dat te onderstrepen, werden hier op Eerste Kerstdag 1989 Nicolae en Elena Ceausescu tegen de muur van een legerbarak bij het station geëxecuteerd.
Anno nu is Targoviste vooral een bedrijvig stadje, waar – zo blijkt al snel – hard wordt gewerkt aan het cultureel erfgoed: de uitgestrekte resten van het Prinselijk Hof aan de hoofdstraat ondergaan een grootscheepse restauratie. De meeste toeristen komen voor de twee meest in het oog springende bouwwerken: de beschilderde kerk uit de 16de eeuw en de bijna dertig meter hoge Zonsondergangstoren, die door Vlad werd gebouwd om zijn wachters in te huisvesten. Op de vierde verdieping van de toren heb je een weids uitzicht. Je kunt je voorstellen dat Vlad hier zelf stond op de dag dat de Turkse invasiemacht tegen Targoviste optrok en rechtsomkeert maakte bij de aanblik van een palissade van twintigduizend gespietsten.
Waar de slachting werd aangericht, is nu een lieflijk stadspark met een stoer beeld van Vlad als opzichter. Het vredige tafereel is een onbedoeld pervers contrast met de gruwelen van 1462. Maar ook met die van Eerste Paasdag drie jaar daarvoor, toen Vlad een banket liet aanrichten voor de bojaren (edelen) die hij niet vertrouwde, om ze na het toetje met hun vrouwen en kinderen gevangen te nemen. De zwakken werden vrijwel meteen gespietst, de sterken werden afgevoerd naar de bergen bij Poienari, honderdvijftig kilometer naar het noordwesten. Daar moesten ze tot hun dood – niet bijster lang – werken aan de burcht waarmee Vlad het dal van de rivier de Arges wilde controleren.
Poienari
Van de ongelooflijke wreedheid van het spietsen ben ik zo langzamerhand doordrongen. Toch vraag ik me af of het lot van de overlevers van 1459 zoveel beter was. Dwangarbeid moet al verschrikkelijk zijn geweest, maar stenen sjouwen voor Poienari was ongetwijfeld de hel. De citadel ligt een paar honderd meter boven de rivier, op een ruige klif omringd door bossen. Vanaf een parkeerplaats aan de spectaculaire autoweg door de Fagarasbergen is het een klim van 1480 treden – ‘a powerful disincentive to most visitors’ schrijft de Rough Guide to Romania.
De eerste duizend brede treden omhoog gaan nog wel, omdat ze door een koel bos voeren, maar daarna wordt het hard werken. Ik moet er niet aan denken dat ik hier blootsvoets over glibberige modderpaden zou strompelen met een mand stenen op mijn rug terwijl een ijskoude wind door de lompen aan mijn lijf snijdt. Na een paar keer op en neer zou de verleiding groot zijn geweest om van de loopbrug die op de top van de rots naar het kasteel leidt, in het ravijn te springen. Iets wat de vrouw van Vlad, Mara, ten einde raad zou doen in 1462, toen de burcht was afgebouwd en werd belegerd door de Turken. Haar rusteloze geest is maar een van de vele die Poienari ’s nachts tot een van de spookachtigste ruïnes ter wereld schijnen te maken.
Ik ben boven – en binnen. De burcht is heel smal en heeft een klein oppervlak: een flinke donjon (die al in de 13de eeuw op de rots is gebouwd) en een paar muren waar de wind omheen giert. Ooit waren de resten imposanter, maar in 1888 donderde eenderde van Poienari naar beneden. Diep onder me zie ik aan de ene kant van de muur de weg en aan de andere de rivier die zich kronkelend heeft uitgesleten in de canyon. Van alle plaatsen die aan Vlad herinneren spreekt deze het meest tot de verbeelding, vooral als je bedenkt op hoeveel pijn, vernedering en wanhoop Poienari gebouwd is. Dit is een burcht waar een vampier zich zou thuis voelen, en waar nu alleen nog vleermuizen wonen.
Teruglopend bedenk ik dat ik weliswaar nader tot Vlad ben gekomen, maar dat ik ver ben afgedwaald van Stokers Dracula, die zijn burcht had in de oostelijke Karpaten en niet in zuidelijk Transsylvanië; en die trouwens ook geen wrede middeleeuwse heerser was maar een bloedzuigende ondode. Het geeft niet; soms blijkt de werkelijkheid indrukwekkender dan de fictie. Vergeleken met Vlad de Spietser krijgt het monster uit de roman van Stoker iets van een attractie uit een tweederangsspookhuis.
Dit artikel, slot van een serie die in 2009 en 2010 in Boeken stond, is een sterk verkorte bewerking van een hoofdstuk uit Macbeth heeft echt geleefd – Een reis door Europa in de voetsporen van 16 literaire helden van Pieter Steinz (Nieuw Amsterdam / NRC Boeken, 240 blz. € 24,95, geïll.). Het boek verschijnt deze week en bevat hoofdstukken over onder anderen Koning Arthur, Siegfried, Macbeth, Robin Hood, Don Juan, Wilhelm Tell, Uilenspiegel, Cyrano en Münchhausen.
Copyright NRC Handelsblad BV