Volg ons op

Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Mannen spelen, vrouwen winnen
 

Mannen spelen, vrouwen winnen

F.B. Hotz
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 21,95
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
Mannen spelen, vrouwen winnen
ISBN/EAN 9789029575140
Breedte (in mm): 136
Hoogte (in mm): 216
Dikte (in mm): 38
Bindwijze: Paperback
Genre: Literaire roman, novelle
Aantal pagina's: 380
Gewicht in (in gram): 536
Auteur: F.B. Hotz
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20110503
Redacteur/samensteller: Aleid Truijens
Print dit artikel
2-9-2011 - Arjen Fortuin
Man en werk en een geheim
De drie levens van Frits B. Hotz
Een journalistieke biografie van de merkwaardige ‘conservatief’ en schrijver F.B. Hotz

Ruim vijftig jaar oud debuteerde Frits Hotz en hij was meteen een uniek schrijver. Wat ging eraan vooraf en hoe vreemd was Hotz? Een levendige en anekdotische biografie reikt antwoorden aan.

Tegelijkertijd met Aleid Truijens’ biografie van F.B. Hotz verscheen deze week een bloemlezing uit het werk van de schrijver die begint met het verhaal ‘Vrouwen winnen’. Al in de eerste zinnen werpt een onbestemd onheil zijn schaduw vooruit: ‘Armand zat achter het stuur en de andere zeven sliepen. Z’n vermoeidheid naderde een punt waarop hallucinaties hem noopten telkens een voet boven het rempedaal te houden.’ En nadat Armand het busje met muzikanten aan de kant heeft gezet om even te slapen: ‘Z’n krullig hoofd, dat vrouwen mooi vonden, lag al op het stuurwiel en hij leek dood.’
Het is in veel gevallen een typisch Hotz-verhaal: het verslag van een optreden van een jazzband op een schoolfeest, beginnend zoals elke vrijdagavond, maar ditmaal uitlopend op een massale vechtpartij. ‘Vrouwen winnen’ is een fijne ketting van details, doodkalm en geestig verteld.
Bijna onmerkbaar leiden die kleinigheden recht naar de rampspoed: een gebaar achter de rug van een blonde spreekstalmeester, een trompettist die zich zorgen maakt om zijn instrument, een wraakactie van de blondine, een eerste duw, waarna de aanzet tot de matpartij wordt gegeven in de schitterende zin: ‘Een jonge gymnastiekleraar drong dezelfde ruimte binnen en raakte in schermutseling met de bassist en de drummer, die beiden sterk ontwikkelde polsen van hun métier hadden overgehouden en hem snel terugdrongen.’
De avond escaleert verder, zoals vaker volgt Hotz trouw de Wet van Murphy, tot aan het eind een soort verzoening volgt. Een soort verzoening, want het gevoel dat er in de loop van deze achttien pagina’s iets verloren is gegaan, laat je niet meer los.
Geweldig verhaal, een van de tientallen die F.B. Hotz schreef nadat hij in 1974 op 52-jarige leeftijd debuteerde in Maatstaf. Zijn literaire loopbaan was daarna groots: hij werd vrijwel onmiddellijk herkend als uniek schrijver (zo moeilijk was dat trouwens niet), schreef een oeuvre van zo’n 1500 bladzijden bijeen en stierf in 2000, kort nadat hem de P.C. Hooftprijs was uitgereikt – bij hem en zijn zuster thuis in de woonkamer, want het openbare schrijversleven was Hotz een gruwel.
Dat oeuvre van Hotz is stellig een oeuvre met een geheim, maar is het ook een biografisch geheim? Eerder ben je geneigd het te zoeken in zijn stijl of in zijn treurig-ironische wereldbeeld. Toch is er nu, elf jaar na de dood van Hotz, een biografie van 650 bladzijden dik. In haar inleiding schrijft Aleid Truijens (critica en columniste van De Volkskrant) dat er eigenlijk geen rationele afweging vooraf ging aan haar besluit om het leven van Hotz te boek te stellen, anders dan dat ze zo van zijn werk houdt. Geluk kun je alleen schilderen is in de eerste plaats een journalistieke biografie, steunend op een groot aantal mondelinge bronnen, die wil enthousiasmeren voor het werk van de schrijver.
Truijens koppelt de autobiografische verhalen van Hotz knap aan de voorvallen in diens leven. Dat maakt soms diepe afgronden zichtbaar achter vergelijkingen die op het oog onschuldig lijken. Dat laatste hangt samen met de omstandigheid die deze biografie voor het grootste deel voortdrijft: Frits Hotz was een man met een geheim: een grote gebeurtenis in zijn leven die hij niet aan de buitenwereld prijs wilde geven.
Los van dat geheim komt Hotz uit het boek naar voren als een merkwaardige man die een merkwaardig leven leidde. Hij was een van de twee kinderen van een ernstige onderwijzeres en een flierefluitende vertegenwoordiger in wijn. Als kind was hij diep gefascineerd door auto’s, trams en zeppelins. Hij vatte een diepe liefde op voor jazzmuziek uit de jaren twintig, wat later oud-blank zou gaan heten. Orkestleider Paul Whiteman was zijn held.
Die voorkeur hield hij zijn hele leven vast met een curieus aandoende overtuiging. Niet alleen liet hij de bebop-revolutie in de jaren vijftig aan zich voorbij gaan (Charlie Parker vond hij ‘niet zo interessant’), ook de bands waarin hij als trombonist speelde, probeerde hij steeds in de richting van het jaren-twintigrepertoire te voeren. Dat kon vreemde gevolgen hebben: toen hij in 1953 zijn ‘droomorkest’ bij elkaar kreeg, de geheel naar de band van Paul Whiteman gemodelleerde Hotel Savoy Society Syncopators, meenden de critici met een persiflage van doen te hebben, een misvatting die wellicht samenhing met het feit dat de orkestleden hun twenties look perfectioneerden met een plaksnor.
De jaren twintig bleven zijn hele leven een ideaalbeeld voor Hotz, vanaf de jaren dertig clusterden de problemen samen in het leven van de jonge Frits. De wereld gleed weg in crisis en (wat de estheet Hotz betreft) lelijkheid. Het huwelijk van zijn ouders gaf na een lange en pijnlijke doodsstrijd de geest. In het verhaal ‘De verplaatsing’ beschreef Hotz hoe het kind in huilen uitbarst bij de aangekondigde scheiding van zijn steile moeder en zijn ontrouwe vader, ‘zij het meer plichtmatig en om de algehele treurnis in huis, en het was voor het eerst dat vader me op een knie nam, en me onwennig tegen zich aan hield, waarbij hij Al Jolson-achtig omhoogstaarde. Het gebaar kwam overigens niet dan nadat moeder het hem zenuwachtig (maar met iets van ‘zie je nou wel’ in haar ogen) gevraagd had. Zij was daartoe de zoldertrap opgelopen.’
Het bleef niet bij geestelijk lijden. Frits kreeg de bof en ontwikkelde als bijverschijnsel een slecht behandelde oogkwaal; op zijn twaalfde was hij slechtziend. Bovendien werd hij door zijn moeder op de verkeerde school gedaan. Omdat haar zoon zo dol was op auto’s en trams meende zij dat hij wel geschikt zou zijn voor de ambachtsschool, wat bovendien paste bij haar socialistische sympathieën. De reden dat Frits plaatjes van auto’s uitknipte, kwam echter voort uit zijn liefde voor de ontwerpen. Techniek interesseerde hem niets en hij was bang voor vuur. Zijn grote liefdes waren tekenen en muziek, heimelijk oefende hij zich in het schrijven, daarin gestimuleerd door zijn aangetrouwde oom Herman Kunst, die decennia later Hotz’ debuut nog net zou meemaken.
De muziek kwam eerst, met horten en stoten. Pas in 1942 kwam zijn moeder tot inkeer en mocht hij naar de kunstacademie, al zou de oorlog die opleiding smoren. Maar niet Hotz’ artistieke talent. Een groot deel van de bezettingstijd besteedde hij aan het perfectioneren van zijn trombonespel, met een aantal vrienden wilde hij na de bevrijding gaan oogsten op de feesten die ongetwijfeld zouden losbarsten. Het kwam er niet van: in het bevrijdingsjaar werd Hotz getroffen door tuberculose, een ziekte waarvan hij jaren moest herstellen en waaraan hij een kapotte long overhield.
Pas in 1950 was de 28-jarige weer zo goed op de been dat hij zich bij een band kon aansluiten en zijn loopbaan als muzikant – en daarmee zijn volwassen leven – een aanvang kon nemen. Hij stortte zich vol in het muziekleven, vaak omringd door collega’s die tien jaar jonger waren. Soms leefde hij alleen van de muziek, dan brak hij weer met een band omdat hij geen muzikale compromissen wilde sluiten en zocht hij een ‘normaal’ baantje. Waarna de jazz al snel weer lokte. Intussen bleef hij voor zichzelf verhalen schrijven. De maatschappelijke druk om een gezin te stichten, negeerde hij. Alle huwelijken in de familie eindigden in een scheiding, dat lot zou hem ook wel treffen.
Dat laatste zou juist blijken en de scheiding zou het ergste niet zijn. Tot verbijstering van zijn vrienden trad Frits Hotz op 21 maart 1956 wel degelijk in het huwelijk met Greetje Rietbroek. Hij ging met Barbara, zoals zij zich noemde, in Den Haag wonen, waar zij deel uitmaakten van een kunstenaarsscene waar men een voorschot nam op de seksuele revolutie die later elders zou losbarsten. Vooral Barbara dompelde zich onder in drank en vrije liefde, wat haar labiele natuur geen goed deed. Tweemaal tijdens haar huwelijk met Hotz deed zij een zelfmoordpoging, uiteindelijk vertrok Hotz in 1964 met hun driejarige zoontje Jeroen. Hij ging bij zijn zus en zijn moeder wonen. Barbara hertrouwde met Serein Pfeiffer, een vriend en bandgenoot van Hotz.
Pfeiffer is de man die geportretteerd wordt als de chauffeur van de band in het verhaal ‘Vrouwen winnen’. En voor wie Truijens’ biografie heeft gelezen zal de passage over de man die als een dode op het stuurwiel lag te dutten nooit meer hetzelfde zijn, en al helemaal niet in combinatie met de titel ‘Vrouwen winnen’: op 20 oktober 1970 belandden de ex-geliefden Barbara en Pfeiffer na een lange avond samen in bed. Daar greep zij een mes dat zij verborgen had gehouden en stak hem door het hart, ‘tussen de periode van orogenitaal contact door de man en de voorbereiding van deze tot de introïtus in vaginam’ volgens het politierapport. Hij leefde nog net lang genoeg om haar te ‘vergeven’, zou Barbara later verklaren.
Zo werd Frits Hotz een man wiens ex-echtgenote een van zijn beste vrienden had vermoord. Een man bovendien die alleen de verantwoordelijkheid moest dragen voor de opvoeding van zijn zoon, aan wie hij niet wilde vertellen dat zijn moeder een moordenaar was. Het geheim van Hotz bleek relatief eenvoudig te bewaren omdat Barbara, die tot drie jaar cel werd veroordeeld, inmiddels een andere naam had aangenomen en buitenstaanders de krantenberichten niet zomaar aan de ex-vrouw van Hotz konden koppelen. Bovendien betrad Hotz zelf een wereld waarin niemand hem of zijn muziekvrienden kende: hij besloot zich helemaal aan het schrijven te wijden. Als vijftiger in een rokerige zaal op een podium staan was al lastig, zijn verslechterende oogkwaal en longproblemen maakten het vrijwel onmogelijk.
Het ligt voor de hand het leven van Hotz in drie delen op te delen: een eerste deel waarin zijn leven maar niet op gang leek te komen, zijn tweede leven als muzikant en zijn derde leven als schrijver. Het merkwaardige van Geluk kun je alleen schilderen is dat de biografie zijn bestaansrecht ontleent aan het schrijverschap van Hotz, maar dat er eigenlijk nog maar weinig in het boek gebeurt als Hotz eenmaal schrijft. Zijn literair-historische belang strekt zich nu eenmaal niet verder uit dan zijn boeken: hij was niet actief in tijdschriften of literaire kringen, nam geen deel aan literaire of maatschappelijke debatten. Tot de tijdgeest bewaarde hij gepaste afstand: van jongs af aan had hij zich conservatief gevoeld, tijdens zijn leven werd hij tot zijn ontzetting vooral geconfronteerd met modieuze linksigheid.
Hotz’ biograaf kon niet veel meer doen dan de literaire stappen van Hotz zo zorgvuldig mogelijk in kaart brengen: de publicaties, de recensies, de interpretaties – zaken die maar niet echt opwindend willen worden. Truijens geeft ze uitgebreid weer, vaak op basis van de vele gesprekken die ze voerde. De grote rol van mondelinge bronnen in Geluk kun je alleen schilderen maakt het boek levendig, maar ook wel erg anekdotisch: van de deliberaties over het jubileumcadeau van de grootvader van de schrijver (veertig jaar bij de Leidsche Levensverzekeringsmaatschappij) kun je je de relevantie afvragen, net als bij de wetenschap dat Henk Spaan in Het Parool een negatieve recensie aan Dood weermiddel wijdde. Ook mis je soms afstand: wat Truijens over Hotz’ vrouw Barbara schrijft, wordt wel erg gekleurd door de weerzin die al haar bronnen – met redenen – tegen deze vrouw hebben: ‘Ze had iets van een heks, met die zwartomrande ogen’. Maar daardoor blijft het een mysterie wat Hotz nu eigenlijk in haar zag.
Wel begint er na het lezen van Geluk kun je alleen schilderen een beeld op te rijzen van de vreemde man die Frits Hotz geweest moest zijn. Het kind van een man die de losbol in zichzelf maar niet kon beteugelen (‘Jaap Hotz had een hekel aan elk gebrek’ schrijft Truijens mooi) en een vrouw die met overgave de last van de wereld op haar schouders nam. Hun zoon kreeg van beiden evenveel mee en bleef prompt hangen in de jaren twintig – de tijd dat die twee ouders nog in staat waren een gezamenlijke basis te onderhouden.
Hotz was een conservatief, maar een die de lichtheid wilde bewaren. Een man met een diepe liefde voor de buitenkant (van auto’s en trams, maar ook van vrouwen) die rustte op een bodem van bijna mystieke ernst. Steeds vaster raakte hij er in de loop van zijn leven van overtuigd dat een mens ontberingen moest doorstaan om geluk te bereiken.
Ergens in dat paradoxale samenspel moet het geheim van de schrijver Hotz liggen. Ook Truijens’ biografie heeft dat raadsel niet kunnen op te lossen, maar wel roept ze het verlangen wakker om er eindeloos naar te blijven zoeken in het fascinerende ernstvuurwerk dat het oeuvre van F.B. Hotz is.

Copyright NRC Handelsblad BV