20-5-2011 - Garschagen, Oscar; Garschagen, Oscar
Henry Kissinger:
On China.
Penguin, 608 blz.
€ 32,- De vertaling verschijnt in september bij
De Bezige Bij.
Schakers zijn uit op de totale overwinning. Weiqi-spelers ontwijken confrontaties en neutraliseren tegenstanders door hen te omsingelen. In zijn langverwachte On China legt Henry Kissinger uit dat westerlingen schakers zijn, terwijl Chinezen zeer bedreven zijn in Weiqi, dat in Nederland bekendstaat onder de Japanse naam Go.
Zouden Amerikanen Weiqi-spelers zijn, dan zouden zij in de omgang met China, ook wel ping-pongdiplomatie genoemd, minder gefrustreerd zijn en meer resultaten boeken, suggereert Kissinger (88), die ook lezing van Sun Tzu’s De kunst van het oorlogvoeren aanbeveelt om China beter te begrijpen. Het ultieme doel van een leider, dichtte Sun Tzu in 770 voor Christus, is de tegenstander te verslaan zonder oorlog te voeren. Dit is tevens de essentie van Weiqi.
Het intellectuele omsingelingsspel en de in klassiek Chinees geschreven verzen, overpeinzingen en adviezen van Meester Sun vormen tot op de dag van vandaag het diplomatieke en militair-strategische denken van China, stelt Kissinger, de enige nog levende architect van de belangrijkste bilaterale relatie ter wereld, die tussen de VS en China. Daardoor is Kissingers vermoedelijk laatste ‘grote’ boek, naast Amerikaans-Chinese diplomatieke geschiedschrijving, ook een culturele en psychologische gids voor toponderhandelaars geworden. Wie zijn magnum opus Diplomacy kent, herkent onmiddellijk waarop Kissinger in On China afstevent; op de kunst van de Realpolitik, het vermogen de waan van de dag te ontstijgen en de wereld op langere termijn veiliger, of in Kissingers terminologie, stabieler te maken. Onder de waan van de dag wordt verstaan: de arrestatie van een kunstenaar, de onderdrukking van een demonstratie op een plein.
Chinezen zijn, en dat is de rode lijn in On China, bedreven in Realpolitik. Of het nu revolutionaire guerrillaleiders zijn als Mao Zedong en Deng Xiaoping of partijtechnocraten (‘mandarijnen’) als Jiang Zemin en Hu Jintao; als het om de nationale belangen van China gaat, krijgt koelbloedig denken voorrang boven communistische propaganda.
Kissinger ontdekte dit voor het eerst tijdens zijn geheime bezoeken aan Peking in december 1970 als nationale veiligheidsadviseur en later als minister van Buitenlandse Zaken van de presidenten Nixon en Ford. Die geheime reizen en het historische bezoek van Nixon aan Peking en Shanghai in 1972 werden mogelijk doordat Mao Zedong, een Weiqi-speler en leerling van generaal Sun Tzu, tot de conclusie was gekomen dat China dreigde te worden ingesloten.
Mao hield al vanaf 1965 rekening met oorlogen met de Sovjet-Unie, India en Japan. In 69 mobiliseerde hij zelfs het leger en ontvluchtte hij Peking omdat hij een Russische aanval verwachtte. Door toenadering te zoeken met het ‘imperialistisch-kapitalistische’ Amerika neutraliseerde hij Japan en India, isoleerde hij de Sovjet-Unie en redde hij de Chinese revolutie. Mao vreesde dat een oorlog met de Russen zijn revolutie in China zou blokkeren.
‘Laat de barbaren maar tegen de barbaren vechten. Wij gaan door met de revolutie’, citeert Kissinger Mao. Sporen van deze manier van strategisch denken zijn overigens anno 2011 te vinden in de Chinese relaties met Pakistan (als tegenwicht tegen India), met Iran en Noord-Korea, die beogen de Amerikaanse dominantie in het Midden-Oosten en de Stille Oceaan af te remmen. Dat China grijnzend toekeek hoe de VS vastliepen in Vietnam en later in Irak en Afghanistan is bekend.
Kissinger maakt geen geheim van zijn respect voor de ‘dominante, overdonderende’ Mao Zedong, ‘de dichter-krijger, de profeet en de geselaar’, die de basis legde voor het moderne, op Taiwan na verenigde China. Het zeer genuanceerde portret van Mao in On China is door The New York Times ‘pervers’ genoemd omdat Kissinger te weinig oog zou hebben voor de verschrikkingen tijdens de door Mao bedachte politieke experimenten, in het bijzonder tijdens de Grote Sprong Voorwaarts die tot enorme hongersnood leidde.
Mao maalde inderdaad niet om enkele tientallen miljoenen doden meer of minder, zelfs niet om 300 miljoen doden in het geval van een kernoorlog met de VS. „Tien jaar groei en de bevolking is weer terug op hetzelfde peil”, zei hij eens tegen Kissinger.
Toch doet de kwalificatie ‘pervers’ hier niet geheel ter zake. Kissinger schrijft strak, koel en onomwonden over oude en nieuwe geopolitieke realiteiten. Dat afstandelijke denken is zijn handelsmerk en dat maakt in combinatie met zijn lange ervaring in de omgang met Chinese topleiders On China voor alle China-watchers verplichte literatuur.
In zijn finale oordeel over Mao volgt Kissinger de lijn van Deng Xiaoping, die twee maal door zijn voorganger werd verbannen en wiens zoon werd mishandeld door de Mao’s Rode Gardisten ‘Van Mao’s tien vingers waren er drie rot’, vonniste Deng voordat hij het roer omgooide en China opende voor de buitenwereld.
Mao gebruikte aanvankelijk de Amerikaanse journalist Edgar Snow om het Washingtonse diplomatieke establishment duidelijk te maken dat hij geïnteresseerd was in een vergelijk. Aangezien Snows boeken en artikelen werden beschouwd als Chinese propaganda – Snow zag Mao als een romantische guerrillaleider – ging de boodschap aan Washington voorbij. Pas toen Nixon en Kissinger zelf tot de conclusie waren gekomen dat na 20 jaar Koude Oorlog de relaties met China hervat moesten worden, kwamen de contacten op gang. Zij zagen in China een strategische partner tegen de Sovjet-Unie en Nixon wilde, zo erkent Kissinger nu ook, de aandacht afleiden van de in de VS omstreden Vietnam-oorlog.
De heftige demonstraties in de VS deden Mao overigens even aarzelen, hij dacht enige tijd dat de wereldrevolutie op uitbreken stond en wilde dat moment niet verpesten door de relaties met de grote ideologische vijand aan te knopen. De aarzeling was van korte duur.
Contacten hervatten was in de gepolariseerde wereld van de jaren 70 van de vorige eeuw minder eenvoudig dan nu. Kissinger droeg de Amerikaanse ambassadeur in Polen, Walter Stoessel, op een boodschap over te brengen aan de Chinese ambassadeur. De Chinese diplomaat, Jing Zhicheng, schrok zich echter rot toen hij in februari 1970 op een Joegoslavische modeshow in Warschau opeens werd benaderd door twee Amerikaanse diplomaten.
„Hallo, hallo, we zijn van de Amerikaanse ambassade, we willen jullie ambassadeur ontmoeten. President Nixon zegt dat hij de gesprekken met de Chinezen wil hervatten”, riep ambassadeur Stoessel hem toe in Pools, in de hoop dat de Chinees deze taal enigszins machtig was. Jing Zhicheng wist toen niet van de nieuwe strategie van Mao Zedong. Via andere omwegen kwam uiteindelijk de Amerikaanse boodschap toch door en dat leidde vervolgens tot de geheime bezoeken van Kissinger aan Peking en de reis van Nixon naar China in 1972.
Met Mao en later ook met de grondlegger van het hedendaagse, marktgerichte China, Deng Xiaoping (‘de kleine man met de melancholieke ogen’) voerde Kissinger talrijke bespiegelende gesprekken over de snelheid waarmee het historische herstel van de relaties tot stand was gekomen. Welbegrepen strategisch eigenbelang is, zeer kort samengevat, zijn verklaring. Of anders gezegd, realpolitik in de praktijk gebracht door twee totaal verschillende landen die allebei een ‘uitzonderlijke status’ in de wereld claimen en die ontdekken dat hun strategische belangen elkaar overlappen. Dat zijn uitzonderlijke momenten die ‘de wereld doen schudden’ (Kissinger en Zhou Enlai in hun gesprekken).
Mao’s opvolger Deng Xiaoping heeft daarom nooit begrepen waarom de VS de bijzondere en nog prille relatie in gevaar brachten door zo heftig te reageren op de onderdrukking van de demonstraties op het Tiananmenplein in Peking in mei en juni 1989. En eigenlijk begrijpen Dengs opvolgers nog altijd niet waarom de VS niet willen inzien dat de demonstraties China naar de rand van de politieke en economische chaos dreigden te voeren. Zij deden niet meer dan het ‘corrigeren’ van ‘een incident’ en voorkwamen zo een chaos die in hun ogen de wereld zou destabiliseren.
Kissinger was naar eigen zeggen destijds ook diep geschokt door het militaire optreden op het Tiananmenplein. Dat neemt niet weg dat de Amerikaanse sancties contraproductief waren, want ‘de Chinese angst voor politieke chaos kan niet zomaar terzijde worden geschoven als een anachronisme’.
De Westerse gedachte dat China een flinke dosis westerse verlichting nodig heeft en dat dan alles zal goedkomen met de mensenrechten in China, noemt hij met sterke argumenten naïef. Feit is dat de angst voor chaos diepe wortels heeft en zich niet beperkt tot de verwikkelingen van de laatste 100 jaar.
Zolang de bijna 90-jarige Chinese Communistische Partij (CCP) aan de macht is, zal China zich verzetten tegen de invoering van westerse democratische bestuursvormen. Aan deze diep verankerde machtspositie, die wordt bewaakt door de veiligheidsdiensten en die de groeiende Chinese middenklasse als fundament heeft, komt vooralsnog geen einde. Van angst voor een Arabische lente op zijn Chinees is inderdaad geen spoor te bekennen. De Ai Weiwei’s in China zijn eenlingen, de dissidenten een versplinterde, ruziënde groep.
Daar voegt Kissinger een nieuw feit aan toe. ‘De mystiek van westerse economische bekwaamheid is volledig weggesmolten. China voelt zich steeds minder een leerling op economisch en innovatief terrein’, zo omschrijft hij de recente wisselingen in de Chinese geestesgesteldheid.
Westerse auto’s, nanotechnologie, lekkere luchtjes, haute couture, orders voor zonnepanelen en elektrische auto’s zijn van harte welkom, maar westerse lessen op het gebied van democratie en mensenrechten worden niet geapprecieerd, ook niet door een meerderheid van de bevolking. Het is niet voor niets dat ondanks de sinds 2003 genormaliseerde verhoudingen de lijst van fricties groeit en de periodieke ‘dialogen’, zoals onlangs in Washington, steeds minder resultaat opleveren.
Kissinger is er niet gerust op dat de Chinese opmars naar supermachtstatus vreedzaam zal blijven. De vraag is hoe supermacht China zich in de komende 30 jaar zal gedragen. Een echte Kissinger-vraag, waarover in de ontmoetingen tussen Chinese, Amerikaanse en Europese leiders te weinig wordt gesproken.
Ligt er een oorlog, al dan niet van het koude soort, in het verschiet? Wil China wel de verantwoordelijkheid van een supermacht dragen? Of zal China het voorbeeld volgen van het Wilhelmische Duitsland in de eerste helft van de twintigste eeuw en op zoek gaan naar meer armslag?
Vragen zonder pasklare antwoorden, maar dat verzwakt On China niet. Kissinger sluit die Wilhelmische weg beslist niet uit en staat daarom uitvoerig stil bij het Crowe-memorandum van 1907. De Britse diplomaat Eyre Crowe stelde dat toen keizerlijk Duitsland begon met de bouw van een marinevloot, een conflict met de maritieme grootmacht Groot-Brittannië onvermijdelijk werd.
Op dit moment werkt China hard aan de modernisering van de luchtmacht en de marine, met als onuitgesproken doel Amerika weg te duwen uit de Aziatische rand van de Pacific. De groei van de Chinese zeevloot is immers niet te rijmen met de Amerikaanse dominantie op de zeeën die door de Chinese koopvaardijvloot worden gebruikt.
De werkhypothese van realisten in het Pentagon en Peking is dat een confrontatie onvermijdelijk is als China zich onder druk gezet voelt of dreigt te worden ingesloten. Preventieve Chinese militaire actie als, bijvoorbeeld, de toegang tot energiebronnen in Afrika en het Midden-Oosten onzeker wordt, moet daarom niet uitgesloten worden, denkt Kissinger. Het is dus wenselijk dat de VS daarop voorbereid zijn.
Het voorkomen van een nieuwe koude of hete oorlog met China is volgens Kissinger de strategische hoofdopdracht voor aankomende generaties presidenten en ministers van Buitenlandse Zaken. De ongetwijfeld talrijke presidenten, premiers en ministers onder de lezers van het meesterlijke On China zullen daarom de gedichten van Sun Tzu zeer instructief vinden. En dat geldt ook voor de tekening van een door zwart gewonnen Weiqi-spel. Die tekening heeft veel weg van een kaart van de wereldwijde Chinese economische activiteiten, uiteraard gezien vanuit de positie van de winnaars in het ‘Koninkrijk van het Midden’.
Copyright NRC Handelsblad BV