Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
E-mail dit artikel

Schrijf uw recensie

Uw waardering:


 
Uitweg
 

Uitweg

Boudewijn Chabot
Levertijd:
Tijdelijk niet leverbaar
Prijs:
€ 24,95
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
Uitweg
ISBN/EAN 9789038893143
Breedte (in mm): 135
Dikte (in mm): 27
Hoogte (in mm): 215
Gewicht in (in gram): 425
Bindwijze: Paperback
Genre: Mens en maatschappij algemeen
Aantal pagina's: 285
Publicatiedatum (jjjjmmdd): 20100201
Auteur: Boudewijn Chabot
Print dit artikel
26-2-2010 - Beatrijs Ritsema
Waar een wil is
Doe-het-zelven als een uitweg uit het euthanasiedebat

Een van de problemen bij euthanasie is de hulp van buiten. Psychiater Chabot pleit daarom voor meer zelfbeschikking, journalist Van Loenen juist voor meer terughoudendheid.

De initiatiefgroep Uit Vrije Wil, die voor 70-plussers de mogelijkheid van een zelfgeregisseerde dood bepleit, heeft in korte tijd de vereiste 40.000 handtekeningen verzameld, zodat hun petitie geagendeerd kan worden in de Tweede Kamer. Blijkbaar heerst er grote beduchtheid onder de bevolking voor een onwaardige, ontluisterende manier van doodgaan. Het boek Uitweg van psychiater Boudewijn Chabot, geschreven in samenwerking met journaliste Stella Braam, verschijnt midden in de herleefde discussie over het recht van ouderen op een zelfgekozen dood. In de jaren negentig werd deze discussie al eens eerder gevoerd onder de vlag ‘de pil van Drion’. Dit idee is nooit serieus overwogen in politieke kringen. Te veel haken en ogen, te veel risico op misbruik, te veel weerstand bij mensen in het veld. In de euthanasiewet die in 2001 werd aangenomen staat zelfbeschikking weliswaar centraal als criterium waaraan moet worden voldaan, maar even belangrijk is het criterium ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’.
Omdat artsen degenen zijn die de euthanasie-aanvraag beoordelen – volgens strikte en toetsbare protocollen –, wordt lijden bijna altijd geïnterpreteerd als ‘lichamelijk lijden’. Geestelijk lijden komt slechts heel sporadisch in aanmerking als reden voor euthanasie. Een doodswens geldt in de eerste plaats als symptoom van depressie. Psychiaters willen hun vingers er dan ook niet aan branden, een enkele uitzondering daargelaten, zoals Chabot zelf, die in 1993 dodelijke middelen ter beschikking stelde aan een 50-jarige vrouw die haar beide kinderen had verloren en niet meer verder wilde leven. De Hoge Raad oordeelde Chabot schuldig zonder strafoplegging ‘gelet op de persoonlijkheid van verdachte alsmede de omstandigheden’.
Als ouderenpsychiater kwam Chabot in contact met hoogbejaarden die door chronische ziekten, voortschrijdende hulpbehoevendheid en vaak het wegvallen van de partner het gevoel hadden in een woestijn te leven zonder enig perspectief. Hun probleem was niet eenzaamheid of gebrek aan aandacht, maar verstikkende gevoelens van zin- en machteloosheid. Uit empathie verdiepte hij zich in de mogelijkheden om binnen de wet soelaas te bieden aan mensen met een overtuigde, aanhoudende doodswens.
Chabot heeft veel onderzoek gedaan naar het zelfgekozen levenseinde en schreef hier verschillende boeken over. In 2007 promoveerde hij op een onderzoek naar de frequentie van overlijden door bewust versterven of het innemen van dodelijke medicijnen. In 2009 verscheen van hem Een waardig levenseinde in eigen hand, waarin hij een overzicht geeft van de stand van zaken op medisch en juridisch gebied. Uitweg biedt dezelfde informatie, maar toegankelijker opgeschreven voor een lekenpubliek. Het boek vormt een naslagwerk, voor iedereen die zich wil oriënteren in deze materie, aangevuld met persoonlijke verhalen van nabestaanden van mensen die voor zelfeuthanasie kozen (niet allemaal succesverhalen) en interviews met een drietal deskundigen: verpleeghuisarts Bert Keizer, consulent van Stichting De Einder Ton Vink, en jurist en mede-initiatiefnemer van Uit Vrije Wil Eugène Sutorius.
Het sterke van de positie van Chabot is dat hij zelfbeschikking op face value neemt. Voor hem staat het gelijk met ‘je lot in eigen hand nemen’, niets meer maar vooral ook niets minder. De even beladen als onontbeerlijke externe hulp die gewoonlijk bij euthanasie komt kijken, verliest daardoor aanzienlijk aan belang. Het probleem van een humane dood op afroep is immers dat er iemand anders aan te pas moet komen om het vuile werk op te knappen. Hoe begrijpelijk of invoelbaar een doodswens zich ook kan laten aanzien, de roep om legalisering van de benodigde hulp hierbij kan een dwingende indruk maken. Alsof hulp bij zelfdoding een recht is waar je aanspraak op kunt maken. Chabot gaat daar niet van uit. Hij stelt dat een einde aan je leven maken op zichzelf niet illegaal is, dat er goede gronden zijn waarom mensen die beslissing kunnen nemen en dat het heel goed mogelijk is om hier zelf de verantwoordelijkheid voor te nemen. In zijn boek gaat het om drie categorieën: hoogbejaarden die klaar zijn met leven, mensen met beginnende dementie en mensen met een lang psychiatrisch verleden zonder uitzicht op verbetering. Geen van deze condities wordt door artsen als voldoende indicatie voor euthanasie beschouwd. Terecht, want artsen houden zich met lichamelijke aandoeningen bezig en geestelijk leed is een subjectief en glibberig terrein.
Uit Chabots onderzoek kwam naar voren dat zelfeuthanasie ongeveer 4.000 keer per jaar voorkomt bij mensen in voornoemde drie categorieën, aangevuld met mensen die aan zware lichamelijke aandoeningen lijden, zonder dat de dood nabij is. Hoe dichter een patiënt bij de dood is, hoe meer kans een verzoek om euthanasie maakt. Tachtig procent van de ‘gewone’ legale euthanasiegevallen betreft mensen met een vergevorderde kanker. Op basis van gesprekken met nabestaanden, mensen die in de zorg werken en andere deskundigen op medicijngebied heeft Chabot een handboek samengesteld met praktische informatie over hoe men zich een goede dood kan verschaffen. Onder een goede dood verstaat hij thuis sterven, omringd door dierbaren, zonder geweld of pijn. Chabot spreekt van ‘zelfeuthanasie’ , anders dan zelfmoord die altijd in eenzaamheid en meestal met geweld plaatsvindt. Bij een waardige levensbeëindiging zijn altijd naasten betrokken. Volgens Chabot is de kans op slagen groot als ook de vertrouwenspersonen erkennen dat er geen alternatief meer is. Zij moeten zich openstellen zonder te snel in de doodswens mee te gaan en zonder er te hard tegenin te gaan.
Er zijn twee methodes: ophouden met eten en drinken, en het nemen van een dodelijke cocktail aan medicijnen. Beide manieren vereisen een gedegen voorbereiding en worden zeer gedetailleerd in het boek beschreven, compleet met lijsten van medicijnen en hun doseringen. Stoppen met eten en drinken is het eenvoudigste en kan rustig worden opgebouwd. Het is geen methode die met pijn en lijden gepaard gaat. Stoppen met drinken leidt bij 70 procent van de hoogbejaarden binnen een à twee weken tot de dood. De dood met medicijnen is ingewikkelder, omdat artsen ze niet zomaar zullen voorschrijven. Bestellen op internet raadt hij af, maar in Zuid- en Oost-Europa zijn veel middelen verkrijgbaar, sommige zelfs zonder recept.
Valt dit boek zelf onder ‘hulp bij zelfdoding’, zoals bedoeld in Artikel 294 van het Wetboek van strafrecht, en zou het om die reden kunnen worden verboden of ten minste als subversief aangemerkt? De vraag dringt zich op, vooral bij de tabellen met medicijninformatie. Chabot meent van niet, net zo min als het strafbaar of immoreel is om touw te verkopen. De hele procedure kan door de auto-euthanasist in spe zelf worden afgehandeld in samenspraak met naasten, en met verzorgenden en huisarts in een ondersteunende rol. Mogelijk zullen vrienden of familie een verzoek krijgen om ergens in Europa medicijnen te shoppen, maar zo’n verzoek en de inwilliging ervan spelen zich over een lange tijd af binnen de privacy van een relatie – een volstrekt andere context dan een toetsingscommissie voor doodsaanvragen.
Chabots boek is belangrijk, omdat hij artsen op afstand zet van de dood. Dit staat dwars op de maatschappelijke tendens om alles wat met euthanasie te maken heeft op het bordje van de arts te schuiven. Sutorius, geïnterviewd in Uitweg, zegt dat artsen ‘onvoldoende verantwoordelijkheid nemen om mensen met een weloverwogen doodswens te helpen’. Hij vindt dat ‘een rijke opgave’. Hij vindt nota bene dat een goede arts zelf over de dood als mogelijkheid zou moeten beginnen in een gesprek met een patiënt. Over suggestieve aanpak en misbruik van autoriteit gesproken! En als artsen koudwatervrees hebben, zouden ‘specialisten levenseindezorg’ de helpende hand moeten bieden. Nog meer bureaucratie en externalisering dus.
Van een radicaal andere visie getuigt het boek van journalist Gerbert van Loenen Hij had beter dood kunnen zijn, waarin hij zich een tegenstander betoont van een zijns inziens te ver doorgevoerde euthanasiementaliteit in Nederland. Van Loenen heeft jarenlang zijn vriend, nadat bij hem een hersentumor werd geconstateerd, verzorgd en terzijde gestaan tot diens dood. Gedurende deze zware periode kreeg hij tot zijn ontzetting een paar keer van vrienden het commentaar dat zijn vriend beter dood had kunnen zijn. Dit schokte hem, omdat zijn vriend ondanks zijn lijdensweg bleef hechten aan het leven en wel degelijk vreugde schepte in bepaalde aspecten. Van Loenen signaleert een hellend vlak en verzet zich vooral tegen al te vlotte euthanasie dan wel het afzien van levensreddende behandeling bij wilsonbekwamen, zoals zwaargehandicapte baby’s, mensen in coma, soms ook dementen. Volgens hem bestaat er niet genoeg respect voor het onvolkomen leven van zieken en gehandicapten en wordt te snel het begrip ‘uitzichtloos en ondraaglijk lijden’ aangegrepen om hen uit hun vermeende misère te helpen. Soms worden baby’s met bijvoorbeeld een open rug niet behandeld (terwijl dat wel zou kunnen) wegens een verwacht gebrek aan kwaliteit van leven. Paradoxaal genoeg nu eens omdat hun levensverwachting te kort is, dan weer omdat hun levensverwachting juist te lang is. Maar Van Loenen vindt ‘voorspeld lijden’ een gevaarlijk criterium, omdat je je daarmee een oordeel aanmatigt over andermans leven. Hij pleit voor terughoudendheid en gelatenheid: ‘Wat is er eigenlijk tegen om ons voortaan aan de euthanasiewet te houden: levensbeëindiging op verzoek mag, zonder verzoek mag niet (..) We hoeven niet altijd iets te doen.’
In de praktijk ervaren artsen het plegen van euthanasie als emotioneel zwaar belastend. Het is en blijft een fremdkörper binnen hun professie. Verpleeghuisarts Bert Keizer zegt dat hij hooguit drie gevallen per jaar aankan.
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst heeft op voorhand het burgerinitiatief Uit Vrije Wil afgewezen. Het behandelen van niet-reguliere euthanasieverzoeken door hiertoe opgeleide ‘specialisten levenseindezorg’ lijkt uiterst onwaarschijnlijk, temeer omdat de praktische uitvoering alsnog op artsen zal neerkomen. Voor mensen met een aanhoudende doodswens die niet aan de criteria van de euthanasiewet voldoen, betekent dat ofwel de route van Van Loenen: gelatenheid, ofwel de route Chabot: consequent volgehouden zelfbeschikking.

Copyright NRC Handelsblad BV