29-10-2010 - Margriet van der Heijden
Het brein laat zich (niet) kennen
Dick Swaabs bestseller en twee andere studies over ontwikkeling en werking van de hersenen
Ons brein beschikt over 100.000 km vezel. Dat wegennet bepaalt wie wij zijn, schrijft Dick Swaab. Collega Goldberg beaamt dat, maar niet helemaal. Margriet van der Heijden las beiden.
Als een resusaap zich niet aan de regels van de groep houdt, straffen de andere resusapen hem gewoonlijk onmiddellijk af. Maar een achtergebleven resusaapje met het Downsyndroom mocht alles doen wat andere apen niet mochten, merkte de beroemde primatoloog Frans de Waal ooit op. En zo gaat het bij mensen ook. Ons strafrecht bijvoorbeeld, is alleen van toepassing op mensen met een gezond brein, schrijft hersenwetenschapper Dick Swaab (65) in zijn pas verschenen dikke boek Wij zijn ons brein.
Onherroepelijk dringt zich daarna de vraag op: wat is een gezond brein? Want als recente inzichten uit het hersenonderzoek, en de vele boeken daarover, iets duidelijk maken, dan is het wel dat er een waanzinnig ingewikkeld en ragfijn bedraad orgaan onder onze schedel huist. Opgebouwd uit honderd miljard hersencellen (vijftien keer het aantal mensen op aarde), die elk met 10.000 andere hersencellen contact maken via bij elkaar 100.000 kilometer vezel (2,5 keer de omtrek van de aarde).
Minutieus afgestelde biochemische processen controleren de ontwikkeling en de werking van dat complexe netwerk. Om maar iets te noemen: als de zenuwcellen die in de puberteit de hormoonspiegels laten stijgen niet al tijdens de vroege ontwikkeling in de baarmoeder op de juiste plek bij de reukzenuw worden aangelegd, en vandaar uit opstijgen naar de hypothalamus in het brein, dan komen zulke kinderen nooit in de puberteit.
Wie erover leest kan niet anders dan onder de indruk raken, én zich erover verbazen, dat er zoveel goed gaat met dat hele systeem. Swaab maakte van de hersenen zijn levenswerk. Talloze geprepareerde plakjes hersenen heeft hij in de loop van de jaren onder de microscoop gelegd. Hij kreeg er een geheugen voor, schrijft hij. Zag hij jaren later weer zo’n microscopisch preparaat, dan wist hij meteen: ‘Oh, daar is mijnheer Y of mevrouw X’.
‘Prosopagnie’
Heel anders is dat in het dagelijks leven, want Swaab lijdt aan milde vorm van gezichtsblindheid, ‘prosopagnie’, schrijft hij. Daardoor stelde hij zichzelf eens voor aan iemand met wie hij al drie jaar in dezelfde commissie zat. In ernstiger vorm, schrijft hij verder, kan deze tekortkoming van het brein er toe leiden dat mensen zichzelf niet herkennen in de spiegel.
Zo komen in het boek allerlei kleine en grote eigenaardigheden van het brein voorbij, en milde of juist ernstige aandoeningen. Soms zijn ze het gevolg van hersenschade door ziekte of door een ongeluk, soms zijn ze aangeboren. Maar Swaabs overkoepelende boodschap is steeds: wij zijn ons brein. Anders gezegd: de groeven en windingen en chemische huishouding van de hersenen leggen ons karakter vast, onze seksuele identiteit, onze aanleg voor ADHD of anorexia, onze talenten of het gebrek eraan en onze neiging tot meer of minder agressie.
Weg dus met het achterhaalde idee dat er emoties in het hart zouden huizen. Weg met de gedachte dat mensen een ‘onsterfelijke geest’ zouden bezitten die los van hun hersencellen zou kunnen bestaan. De chemie en de structuur van ons brein bepalen wie wij zijn en zelf kunnen wij daaraan nagenoeg niks veranderen. Genen, de invloeden in de baarmoeder en, in mindere mate, de omgeving in de eerste levensjaren bepalen hoe de hersenen eruit zien en hoe ze werken. Daar moeten we het verder mee doen.
Door zo’n bril bekeken bestaat het leven uit de botsing tussen wat het lot in ons brein heeft gelegd en wat het toeval voor ons in petto heeft. Zelfs de vrije wil raken we bij Swaab kwijt. Het is een quasi-vrije wil, doceert hij, die rationalisaties mag bedenken bij de besluiten die het onbewuste brein al lang voor ons heeft genomen.
Dat heeft gek genoeg iets bevrijdends. Homo’s of transseksuelen hoeven zich, verwijzend naar de baarmoeder, niks meer aan te trekken van verwijten dat zij verkeerde keuzes maken. Autisme is niet langer de schuld van kille moeders. En religies die schuld en zonde prediken verliezen hun greep.
Het heeft ook iets troostend. Swaab stelt niemand verantwoordelijk voor zijn eigen succes, en geeft er niemand de schuld van als het leven minder goed verloopt. We kunnen niks anders dan roeien met de riemen die we hebben.
Maar het heeft ook iets beklemmends. Swaab schopt tegen het ooit zo heilige huisje van de maakbare mens en de maakbare samenleving, en, gezien de verkoopcijfers, met succes. Steeds meer mensen vermoedden waarschijnlijk al dat de mens minder maakbaar is dan ooit werd gedacht. Kijk naar de teleurstelling over de resultaten van welzijnswerk of psychotherapie.
Alleen: bij Swaab slaat de slinger erg ver door naar het ‘neurocalvinisme’. Elk door hem genoemd onderzoeksresultaat ondersteunt het idee dat onze onverbeterlijke hersenen ons inperken. Elk detail klopt. Maar, weten wij in 2010 echt alles over de werking van dat complexe brein? Over wat daarin ‘gewoon’ is, en wat ‘afwijkend’? En over hoe dat dan zo komt?
Zijn er echt geen twijfels en vragen meer?
Wie zich dat afvraagt kan terecht bij Het sturende brein van Elkhonon Goldberg (64), hoogleraar klinische neurologie in New York. In de loop van zijn leven trok Goldberg van Litouwen naar Moskou, waar hij studeerde bij de beroemde neuropsycholoog Alexander Loeria, en vandaar uit naar de Verenigde Staten. En anders dan Swaab, die vooral dode hersenen bestudeerde onder de microscoop, werkte Goldberg juist met levende patiënten. Met levende hersenen dus, waarin biochemische processen op volle toeren draaien, en die hij vaak uitvoerig beschrijft. Maar het grootste verschil is dat Goldberg lang niet zo stellig is als Swaab, en vraagtekens durft te zetten bij de huidige paradigma’s uit het hersenonderzoek en bij door hersenwetenschappers gebruikte meetmethodes.
Hersenonderzoekers zijn geneigd, zegt Goldberg, om de hersenen te zien als een verzameling scherp afgebakende gebiedjes die elk verantwoordelijk zijn voor een specifieke taak of vermogen. Maar als je naar de effecten van hersenbeschadigingen kijkt, betoogt hij, lijken de grenzen tussen die gebiedjes vaak eerder gradueel – alsof aangrenzende hersengebieden en hun functies geleidelijk in elkaar overvloeien.
Taalvermogen
Een andere neiging is om aan de linker- en aan de rechterhersenhelft specialisaties toe te kennen: het taalvermogen zit links en het ruimtelijk inzicht rechts, ruw gezegd. Maar misschien onderscheiden de hersenhelften zich vooral op een andere wijze, oppert Goldberg. Misschien bestuurt links de processen die we onszelf zo eigen hebben gemaakt dat we ze routinematig uitvoeren, en staat rechts open voor onbekende, nieuwe ervaringen en informatie.
Naarmate mensen ouder worden en meer op hun routine vertrouwen, vervolgt hij, verwaarlozen ze hun rechterhersenhelft. Mogelijk met gevolg, want volgens Goldberg zijn er steeds meer aanwijzingen dat hersenen tot op hoge leeftijd een beetje plastisch zijn en dat we ze – tot op zekere hoogte – kunnen, en móeten, onderhouden en trainen.
Vergeleken met Swaab laat Goldberg dus net wat meer ruimte voor de flexibiliteit van de hersenen, en daarmee ook voor de invloed van de omgeving en van medemensen op het brein. Goldberg oppert bijvoorbeeld dat opgroeien in een gestructureerde en voorspelbare omgeving gunstig kan zijn voor de ontwikkeling van de frontale hersenkwabben. Belangrijk, want die voorste delen van het brein zorgen voor het vermogen tot plannen, voor mentale doelgerichtheid, mentale flexibiliteit en empathie, en ze worden wel de zetel van de moraal genoemd.
Tegelijk zijn Goldberg en Swaab het over veel dingen eens. Dat persoonlijkheid nauw samenhangt met de biologie van de hersenen bijvoorbeeld. Dat bewustzijn het product is van een samenspel tussen hersencellen. En dat religieuze ervaringen een product van de hersenen zijn. De visioenen van apostel Paulus, Mohammed en Jeanne d’Arc zijn de verschijnselen van temporaalkwabepilepsie, schrijft Swaab opgewekt.
God zelf komt, ten slotte, zijdelings nog ter sprake in Stof tot nadenken. Hans Dooremalen en collega’s passen hierin inzichten uit de filosofie en de psychologie toe om de relatie tussen brein en bewustzijn te ontleden. Maar hun wollige taalgebruik en de abstracte begrippen die zij hanteren, laten hun betoog volledig in de lucht hangen. Het blijkt, anders gezegd, nog altijd lastig voor wetenschappers om hun ideeën bij een breder publiek over te brengen.
Swaab slaagt daarin veruit het best. Door zijn klare taal en grote vakkennis, en doordat hij bruggen naar de maatschappij slaat. Zijn pleidooi voor gezonde zwangerschappen (zonder sigaretten, drank en medicijnen die het ongeboren brein schaden), of zijn zorgelijke uiteenzetting over chemische castratie van pedofielen – ze dragen ertoe bij dat je Swaabs boek achterelkaar uitleest. Oké, vooruit, dat komt misschien óók door de stelligheid waarmee hij de ‘leer van het neurocalvinisme’ verkondigt: dat biedt in elk geval veel stof tot nadenken.
Copyright NRC Handelsblad BV