7-9-2012 - Jan Donkers
Haat bindt de hele familie
David Vann creëert zijn sterkste personage tot nu toe
Er is niemand in de huidige Amerikaanse literatuur die de gruwel die zich achter voordeuren afspeelt zo tot op de laatste vezel uitbeent als David Vann. Zo er misschien twijfel bestond dat hij zich met zijn eerste twee fictiewerken (Legende van een zelfmoord en Caribou Island) thematisch wat had uitgeput, deze nieuwe roman maakt aan die twijfel resoluut een einde.
Geen Alaska ditmaal, maar zonnig Californië, geen suïcidale vader, maar een geschifte familie en een gruwelijke afloop. Hoofdpersoon is hier Galen Schumacher, tweeëntwintig jaar en nog maagd. Dat is op zichzelf niet echt raar, evenmin als het feit dat hij nog bij zijn moeder in huis woont, in Sacramento.
Maar het wordt al snel raarder in deze roman. Galen gaat bijvoorbeeld al jaren niet meer naar school, volgens zijn moeder omdat daar geen geld voor is. Zijn wisselende stemmingen brengen hem er toe zijn moeder fysiek te attaqueren, maar als zij in paniek raakt trekt hij zich geschrokken terug. ‘Galen wilde vrede met zijn moeder. Maar zodra hij dicht bij haar kwam, wilde hij haar vermoorden.’ Een gedachte die lang zal na resoneren bij het lezen van de tweede helft van dit boek.
Behalve een moeder, Suzie, heeft Galen ook een tante, een nichtje Jennifer en een mild-dementerende grootmoeder. Als ze gevijven een uitje maken naar een blokhut vermenigvuldigt de gruwel zich in razend tempo. Om onduidelijke reden blijkt Galens moeder de zeggenschap te hebben over het aanzienlijke familiefortuin, waar zij zo stevig op blijft zitten dat behalve voor Galen ook voor Jennifer een vervolgopleiding niet tot de mogelijkheden zal behoren.
De ruzies worden vileiner, de pesterijen heftiger, culminerend in een vechtpartij om de tas waarvan het vermoeden bestaat dat grootmoeder er haar chequeboek in bewaart. Er wordt nog meer gevochten, iedereen haat iedereen, alleen grootmoeder wandelt onaangedaan door dit alles heen en lijkt zelfs het huiselijk geweld van haar overleden man, die haar aan de haren door de kamer sleurde, te vergoelijken.
Wat de familiesfeer in deze gezellige blokhut ook al niet bevordert is dat de zeventienjarige Jennifer een schaamteloze cockteaser blijkt te zijn die haar neef dolzinnig maakt van geilheid. Als ze dan eindelijk, calculerend, toegeeft en hem toestaat, nee dwingt, haar te neuken kijkt Galens moeder net de slaapkamer in. Haar oordeel volgt de dag erna: ze wil Galen aangeven bij de politie vanwege seks met een minderjarige. ‘Je bent een verkrachter.’
Dan volgt de wraak van Galen, bij wie al het vermoeden groeide dat zijn moeder hem onder haar vleugels hield als surrogaat voor de vader die hij nooit had. Zijn moeder stelt voor hem, als uiting van opperste moederliefde, een uur voorsprong op de politie te geven. Maar Galen wil geen voorsprong, hij wil iets veel ergers.
De wraakoefening van Galen beslaat bijna de helft van dit boek. Zonder er teveel van prijs te geven kan ik zeggen dat de obsessieve razernij die hem bevangt, hoe over the top ook, zo meesterlijk door Vann is ingeleid dat de lezer weinig anders resteert dan zich mee te laten slepen met die nu volkomen invoelbare woede. Alle details, alle gebeurtenissen en tot dan opgekropte ergernissen blijken deel van een onontkoombare geweldsspiraal.
Dat Vann dit voor elkaar krijgt, is niet minder dan een meesterlijke prestatie. Galens woede vertaalt zich in een minutieuze fysieke arbeid. Tientallen pagina’s zien we hem ploeteren en zwoegen, steeds weer nieuwe maatregelen bedenkend. Zoiets ontaardt makkelijk in grand guignol, maar is hier een volstrekt ‘normaal’ vervolghoofdstuk geworden in de geschiedenis van deze door haat en geweld bijeengehouden familie.
David Vann is niet uit op gemoedsrust, op zelfs maar de geringste glimp van hoop. Daar kunnen ook het inzicht en het restje liefde voor zijn moeder die tot Galen doordringen niets aan veranderen, wanneer zijn razernij eindelijk, te laat, wegebt en hij zegt: ‘Mam, ik hou van je. Dank je dat je in mijn leven gekomen bent. Ik eerbiedig je. Moeder.’
Vann zelf drukte het zo uit in een interview met deze krant: „Mijn boeken beschrijven het landschap in mijzelf waar ik bang voor ben, en het is de bedoeling dat in mijn fictie uit te drijven, of te ontkennen.” Gezien de heftigheid van dit boek, is aan dat uitdrijven nog lang geen einde gekomen.
Ik raad u aan, in het volle besef dat ik hiermee mijn bevoegdheden overschrijd, niet ’s avonds aan dit boek te beginnen. U zult het niet meer neerleggen tot het uit is, en de rest van de nacht in grote onrust doorbrengen.
Copyright NRC Handelsblad BV