Volg ons op

Winkelwagen

Uw winkelwagen is nog leeg
 
Santenkraam
 

Santenkraam

Ronelda S. Kamfer
Levertijd:
Direct leverbaar, 1-3 werkdagen
Prijs:
€ 17,50
 
Verzendkosten slechts € 1,95 per bestelling
In Santenkraam maakt de lezer kennis met Skipskop, een Zuid-Afrikaans vissersdorpje dat in de jaren tachtig ontruimd werd door de apartheidsregering. Ronelda S. Kamfer geeft de verjaagde bewoners in deze bundel een stem. Santenkraam bevat daarnaast zeer persoonlijke gedichten: over haar verslaafde vriend, haar vader die haar moeder mishandelde en over haar onmacht na het overlijden van haar grootvader. het zwaarste was niet dat mijn opa dood was maar dat de aarde bleef draaien dat ik doorleefde dat alles wat verkeerd was nog steeds verkeerd is Ronelda Sonnet Kamfer (Kaapstad, 1981) ontving voor haar debuutbundel Nu de slapende honden de Eugène Marais-prys. 'Rauw en teder, in een taal waar je niet onderuit komt.' Maartje Wortel 'Ronelda S. Kamfer zet de rauwe dagelijkse werkelijkheid van Zuid-Afrika om in glasheldere poëzie die de lezer sprakeloos achterlaat.' Christine Otten
ISBN/EAN 9789057595172
Dikte (in mm): 11
Breedte (in mm): 149
Gewicht in (in gram): 201
Publicatiedatum: 20120508
Hoogte (in mm): 221
Vertaler: Alfred Schaffer
Bindwijze: Paperback
Uitgever: Podium b.v. Uitgeverij
Auteur: Ronelda S. Kamfer
Print dit artikel
11-5-2012 - Christine Otten
Toen de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer haar grootvader kort voor zijn dood vroeg verhalen over Skipskop te vertellen, het vissersdorpje aan de Atlantische klippenkust waar hij opgroeide en uit verdreven werd door het toenmalige Apartheidsbewind, zei hij: „Ik wil wel vertellen maar je moet me beloven dat je mijn verhalen in je eigen woorden doorvertelt.”

In haar nieuwe bundel Santenkraam, onlangs in vertaling verschenen, staat: ‘je wil niet weten hoe ik me voel, ik ben 84 jaar oud en als ik nu alles eruit gooi maak ik alles kapot wat mij overeind houdt.’ „Dat is wat doorvertellen betekent,” zegt Kamfer (1981) terwijl ze haar acht maanden oude dochter Seymour (genoemd naar J.D. Salingers personage Seymour Glass) de borst geeft. Ik spreek haar in haar appartement aan het Spui, waar ze met man en dochter twee maanden woont op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds.

‘Doorvertellen’. Liefst vijf gedichten in de bundel dragen die titel. „Het enige wat opa aan het einde van zijn leven had, waren zijn verhalen”, zegt ze. „Alles was hem afgenomen. Eerst zijn geboortedorp, later het land en zijn huis op Grabouw, de boerderij waar hij zijn hele volwassen leven werkte en waar ik ben opgegroeid. Toen hij oud was en versleten stuurde de blanke baas hem weg. Dezelfde baas die hij als jochie had zien opgroeien. En toen was Zuid-Afrika al vrij. Santenkraam is een ode aan mijn grootvader, mijn moeder, mijn hele familie. Ik ben er trots op dat ik afstam van landarbeiders, huishoudelijke hulpen en mensen die nauwelijks konden lezen en schrijven.”

Zo, dat is eruit. Nu weet je waar ik sta, lijkt Kamfer te willen zeggen. Want met haar eerste bundel Noudat slapende honde uit 2008 (Nu de slapende honden, besproken in Boeken, 04.02.2011) won Kamfer weliswaar meteen de Eugène Maraisprijs voor Poëzie, de belangrijkste poëzieprijs van Zuid-Afrika, maar dat wil niet zeggen dat zij ineens iemand anders is of zich gedraagt als literaire ster. ‘Blijf met je achterlijke gedichten uit onze buurt/ vertel die zielige verzinsels van je maar aan de mensen/ die de dienst uitmaken/ je ruikt in ieder geval al net als zij’, schreef ze in Als de slapende honden.

„Zo overdacht ik wat er zou kunnen gebeuren als mijn boek gepubliceerd zou worden. Ik zou door de media gebombardeerd worden tot de Stem van de Kleurlingen en meer van dat soort onzin. En ik zou vervreemd raken van mijn eigen mensen. Dat eerste gebeurde inderdaad, maar juist doordat ik er van tevoren over schreef, kon ik er goed op reageren.

„Toen ik mijn moeder enthousiast vertelde dat ik de prijs had gewonnen, zei ze: ‘O, leuk. Wil je thee voor me maken?’ Zo’n reactie maakt nederig. Wat zei haar die prijs? Maar ze was wel trots als ze me hoorde voordragen op de radio.”

Het werk van Kamfer laat zich niet gemakkelijk omschrijven. In haar eerste bundel zet ze de rauwe alledaagse Zuid-Afrikaanse werkelijkheid om in glasheldere beelden, zo meedogenloos en eerlijk dat ze soms aankomen als een vuistslag. Maar ze alleen als ‘geëngageerd’ omschrijven, zou onjuist zijn. Daarvoor is haar taal te persoonlijk en subtiel. ‘Nu de slapende honden wakker zijn/ en ik mijn helden heb gevonden in rock‘n’ roll en gangsta-rap/ zit het dienstmeisje nog steeds als een schaduw achter me aan.’

Grotevis Visser

Santenkraam, de tweede bundel van Kamfer en voortreffelijk vertaald door Alfred Schaffer, is complexer dan Als de slapende honden, maar niet minder betoverend. Het leest bijna als een novelle: alle gedichten horen bij elkaar. Ze vertellen de verhalen van haar familieleden, van wie ze mythische personages maakt als ome Grotevis Visser, Slimme Sarah en Malle Maria, die terugverlangen naar de wereld waaruit ze met geweld verdreven zijn.

De bundel begint met: ‘we moeten gaan/ de hele tijd/ moeten we gaan.’ Om daarna via sprookjesachtige flarden, herinneringen, harde verhalen over armoede en zelfhaat en leven in townships te eindigen aan de zee. In Santenkraam vertelt Kamfer op een intens persoonlijke manier de geschiedenis van kleurlingen in Zuid-Afrika, de afstammelingen van de Hollanders, de Maleis-Portugese slaven, de Britten en de inheemse Koï en San, vanaf de komst van Jan van Riebeeck in de 17de eeuw tot nu.

„Ik vertel de verhalen door, omdat er anders nauwelijks iets bewaard blijft,” zegt Kamfer. „Dat beeld van de mensen in de zee, onder water, hun stemmen die niet gehoord worden, dat had ik heel lang in mijn hoofd. Zo zag ik mijn grootouders. Alle elementaire mensenrechten werden hun ontzegd. Kleurlingen in Zuid-Afrika hebben bijna geen eigen geschiedschrijving, niemand nam de moeite onze verhalen vast te leggen. Anders dan de zwarten, die ondanks de Apartheid een sterke identiteit en cultuur en eigen talen hadden en hebben, vielen wij steeds overal tussen. Onze taal is Afrikaans, de taal die afstamt van de Hollanders.”

Kamfer vertelt dat ze altijd al schreef, gewoon, losse zinnen en flarden in een opschrijfboekje, niks bijzonders, als kind al op de boerderij Grabouw, zo’n twintig kilometer van Kaapstad vandaan, waar haar vader en moeder in de township Eertserivier woonden. „Mijn ouders lieten me bij mijn grootouders, zodat zij werk en woning in de stad konden zoeken. Het was de bedoeling dat ik na een jaar of zo bij mijn ouders ging wonen, maar ik wilde niet weg van Grabouw. Ik vond het te fijn bij mijn opa en oma en buiten op het land. Mijn opa was een trotse man, een echte verhalenverteller. Ik zoog zijn verhalen op. En op de boerderij was ik ver weg van de harde buitenwereld. De eerste dertien jaar van mijn leven waren heel harmonieus.

„Pas toen ik op mijn dertiende verhuisde naar de stad, ontdekte ik dat het normaal was dat een kind opgroeit bij zijn ouders. Voor mij was die overgang schokkend. Ik kwam in het getto terecht, in een wereld die door de Apartheid was gedefinieerd, ook al was de Apartheid zo goed als afgeschaft en werd Zuid-Afrika een democratie. Ik zag hoe mensen elkaar wantrouwden, het geweld van de gangs was overal, de armoede. Ik verloor vrienden aan het gangsterism. En ik zag hoe mijn ouders zich ten opzichte van blanken gedroegen; aan hun lichaamstaal kon ik zien dat ze zich minder voelden, dat ze zich schaamden voor wie ze waren. In die tijd werd ik een depressieve puber; Een aantal gedichten in mijn eerste bundel gaat daarover.”

Voorgangers

De relatie met haar moeder was door de jarenlange scheiding tussen moeder en dochter ingewikkeld, maar haar moeder maakte gelukkig nog wél mee dat haar dochter een beurs kreeg aangeboden door de Universiteit van West-Kaap, waar ook dichteres Antjie Krog doceert. „In het begin durfde ik nauwelijks tegen Antjie te praten. Zij was de enige Afrikaner dichter die ik had gelezen en ik bewonderde haar om haar eerlijkheid. Ze legde boeken op mijn tafel: Breytenbach, Van Wijk Louw, ‘Je moet weten wie je voorgangers waren,’ zei ze. Ik had geen benul van literaire theorie. Als mijn uitgever het over ‘vrije vorm’ had, wist ik amper wat ze bedoelde. Ik deed maar wat. Maar van Krog leerde ik op mijn eigen stem te vertrouwen, mijn eigen schrijversinstinct en op eerlijkheid.

„Eerlijkheid is lastig. Neem mijn gedicht ‘Kathy had kinderen’. Het is gemakkelijk om kritisch te zijn over Apartheid, maar veel moeilijker is het als het gaat om de goedwillende blanken die vochten tegen de Apartheid en onze verhalen gebruiken. De titel van ‘Kathy had kinderen’ is ontleend aan een liedje van Koos Kombuis, de liberale blanke zanger die in ‘Kytie’ zijn gekleurde nanny bezingt. ‘Kytie, jij was niet alleen een dienstmeid, maar ook een moeder voor mij.’ Maar ons zegt zo’n tekst helemaal niks. Daartegenover heb ik het verhaal van mijn tante gezet. ‘mijn tante Katie hield van glamour / […]/ ging nergens heen zonder haar zware/ parfum en rouge lippenstift/ behalve/ naar haar werk je moet je werk altijd met trots doen/ zei mijn oma maar zij kon dat niet/ zij wou eruit zien zoals/ ze zich voelde zei ze als een bediende’.”

Santenkraam eindigt aan de Atlantische kust. ‘De rijkeluis-/kant is nog stil want dit type/ schoonheid zo wakker in de ochtend/ is alleen bestemd voor de mensen van Klippenkust.’ Al schrijvend herovert Kamfer zo het verloren land van haar grootouders. „Zij zijn mijn helden.”


Copyright NRC Handelsblad BV